Albert Spits over Biflatie

10

Albert Spits | Iedereen heeft wel gehoord van de begrippen inflatie en deflatie, maar of het helemaal duidelijk is wat men hiermee bedoeld dat is natuurlijk de vraag, maar er is ook een begrip genaamd biflatie.Om uit te leggen wat hieronder wordt verstaan is het essentieel om eerst de juiste uitleg te geven van inflatie en deflatie.  Inflatie is niet de verhoging van de prijzen, want dat wordt vertegenwoordigd door zowel de consumenten- als producentenprijsindex, de zogenoemde CPI en PPI. Deze twee indexen zijn derivaten, oftewel afgeleiden van de eigenlijke inflatie. Inflatie is feitelijk monetaire inflatie, ergo het uitbreiden van de contante geldhoeveelheid, niets meer en niets minder. Als monetaire aggregaat aangeduid als M0, desnoods aangevuld met deposito die worden aangehouden op bankrekeningen, M1 dus. Omgekeerd evenredig is deflatie dan geen daling van de PPI of CPI-indexen, maar juist de daling van de contante geldhoeveelheid, desnoods tevens een daling van de deposito. We hebben een kleine deflatie van M1 gehad in 2008 in Nederland, waardoor bankrekeningen omlaag gingen om te voldoen aan de lopende verplichtingen van private bedrijven en individuen.

Deflatie

Er heerst een angst onder politici, centrale bankiers en reguliere economen voor prijsdeflatie, met andere woorden men is bang voor dalende prijzen. Maar waarom zou je nu bang moeten zijn voor dalende prijzen, het lijkt me juist goed dat je meer kunt kopen voor je geld, zoals dat is gebeurd over de laatste decennia met computers, geluidsapparatuur, televisies en dergelijke. Waarom klagen politici en economen hier niet over? Dat is omdat zij dit als goede deflatie zien en dat andere, zoals dalende aandelen- en vastgoedprijzen als slecht zien. Men denkt in deze kringen dat de waarde van aandelen en vastgoed altijd omhoog moet  gaan, zodat men denkt dat men rijker wordt, terwijl dat uiteraard een illusie is. Want de ‘overwaarde’ van vastgoed en aandelen is niets anders dan een exces aan uitgeleverd krediet. Dit brengt mij op het volgende en dat is inflatie.

Inflatie

Er zijn twee typen inflatie, de een is de monetaire variant en de ander is die van krediet, ook wel kredietexpansie genoemd. Kredietexpansie, zo leert ons de geschiedenis, eindigt immer in een kredietinkrimping, mits deze niet-liquiderend is, wat betekent dat daar geen huidige en toekomstige productie overstaat. Dit noemen we dan consumptieve kredietgroei. J.M. Keynes heeft hierover uitvoerig geschreven en dacht dat consumptie de motor was van de economie.

Oostenrijkse Schooleconomen weten natuurlijk wel beter, want de motor van de economie is de productie en productiviteit van bedrijven en individuen. Deze kun je nooit stimuleren met een kredietexpansie,waardoor je een schuldeconomie creëert, wat uiteindelijk eindigt in faillissement van zo’n economie. Er zijn nog economen zoals Sweder van Wijnbergen, die beweren dat je altijd geldgroei moet hebben om de economie te laten ‘groeien’, want anders zou er een ‘deflatoir’ effect optreden. Dat is een onjuiste constatering en toont dat deze hoogleraar niet op de hoogte is van hoe bijvoorbeeld een goudstandaard binnen een markteconomie functioneert. De productiviteitsgroei heeft namelijk de deflatie al in zich. Wanneer een economie reëel groeit, zelfs met een papiergeldwaarde, dan is het niet de geldgroei die dit verzorgt, maar de toenemende productiviteit in navolging van meer efficiëntie en hogere afzet, alsmede betere productie-, transport- en distributiemethoden. Ergo, bij gelijkblijvende winsten, inkomsten en vermogen gaat de welvaart omhoog vanwege de dalende prijzen. In de goudstandaard van de 19e eeuw tot aan 1914 is dit tot uiting gekomen in een enorme welvaartsgroei voor de westerse bevolking en met name het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten en dit terwijl de prijzen zo’n 20% lager uitvielen in diezelfde periode. Het is berekend dat binnen een goudstandaard de economie tussen de 1-2% per jaar groeit en daar wordt reële en duurzame groei mee bedoeld.

Nominale en reële groei

Waar hoogleraren als Sweder van Wijnbergen op doelen is de nominale groei van de economie, ergo de groei gemeten in geldontwaarding. Stel dat de groei van het Bruto Binnenlands Product nominaal 12% per jaar is. De monetaire inflatie is 7% per jaar, dan is de reële groei 5%, want je trekt de verhoging van de contante geldhoeveelheid af van het BBP. Stel, zoals nu het geval is, dat de monetaire inflatie 10% bedraagt, maar het BBP groeit nominaal maar 7%, dan is de reële groei minus 3%. Men heeft deze werkelijke verarming van de economie kunnen verdoezelen met de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), deze geven namelijk niet de monetaire inflatie weer, doch alleen de consumentenprijsindex, welke veel lager uitvalt. Deze cijfers zijn niet objectief, maar juist subjectief van aard, want het CBS stelt deze zelf samen uit een mandje met producten. Zo hebben we nu een nieuw mandje, ditmaal van de Europese Unie en deze heet de geharmoniseerde consumentenprijsindex (HCPI), echter nog steeds subjectief samengesteld uit producten geselecteerd door de statistische bureau´s. Vandaar dat we ontzettend moeten oppassen voor de cijfers van deze overheidsinstanties en haar economische manipulaties. Men stelt de zaken altijd mooier voor dan ze zijn.

Tweedeling

Er bestaat een verschil tussen kennis en bevattingsvermogen. Kennis krijgt men van derden, zoals scholen, universiteiten en andere instituten, maar bevattingsvermogen genereert men zelf. Met andere woorden, kennis kan men vergaren, echter het is essentieel om nieuwe verworven kennis te kunnen koppelen of te toetsen aan reeds bestaande kennis en daar wringt nu juist de schoen.   Vooral in de economische wereld gebeurt dat veel te weinig, men blijft in een bepaald patroon hangen, zonder verder te kijken naar andere factoren. De oorzaak is ons onderwijs, want er wordt bijna uitsluitend gekeken naar wiskundige modellen, zonder psychologie, financiële instrumenten en de monetaire geschiedenis in acht te nemen. Zo ook met inflatie. Er bestaat geen goede inflatie, alleen slechte inflatie, dus een geldgroei (monetaire inflatie) is zonder meer slecht te noemen. Het verhoogt in het geheel niet de productie of de productiviteit, maar zorgt wel voor een overheveling van het meest productieve gedeelte van de economie landbouw en industrie naar het minst productieve segment daarvan, ergo de overheid en de financiële sector. Wanneer men de geldkraan openzet, dan is de eerste sector die hiervan profiteert de overheid, want deze ontvangt reeds de oorspronkelijke waarde hiervan.   Vervolgens is de tweede die hier profijt van trekt de financiële sector zoals banken en financieringsmaatschappijen, die dit nieuwe geld met nagenoeg de oorspronkelijke waarde weer kunnen inzetten en daarop rente kunnen heffen. De volgende sectoren, zoals productiebedrijven, distributiecentra, transportfirma´s etcetera, kunnen weliswaar de kosten hiervan doorberekenen aan de klanten, maar hebben wel te maken met een verminderde waarde van hun vermogen en winsten. De enigen die hier geen enkel voordeel bij hebben zijn de mensen die niet in de eerste of tweede linie zitten van de ontvangst van het nieuwe geld en de bijkomende kosten (geldontwaarding) niet kunnen doorberekenen, deze zijn de gesalariëerden en minima. Deze tweedeling wordt dus enorm versterkt dankzij ons monetair beleid. Hier is dan weer een typisch geval van de wet van onbedoelde gevolgen, welke is ontdekt door de Franse econoom Frédéric Bastiat in de eerste helft van de 19e eeuw.

Deflatoire crisis

Er is een verschil tussen een inflatoire en een deflatoire crisis en dat heeft te maken met de hoedanigheid van het begrip inflatie. Prijsinflatie is niet een-dimensionaal, maar twee-dimensionaal. Zoals we weten staat de monetaire inflatie aan de wieg van de prijsinflatie. Een overheid creëert monetaire inflatie in goede tijden om aan extra inkomsten te komen en zodoende de uitstaande schuld percentueel te laten dalen. Want bij een hogere inflatie valt de bestaande schuld relatief lager uit. Wanneer er een crisis uitbreekt zoals in de jaren 70, dan was het opportuun voor de overheden om de economie vol te gooien met monetaire inflatie en deze inflatie vertaalde zich rechtstreeks naar de prijsinflatie toe. We kennen de oliecrises wel in dit decennium als gevolg van deze hoge monetaire inflatie. De geldgroei ging rechtstreeks door de economie heen. Er was een hoge overheidsschuld, maar een lage private schuld, derhalve wilden mensen zo snel mogelijk hun geld besteden aan artikelen, omdat deze almaar bleven stijgen in prijs. Men noemt dit monetaire inflatie maal de doorstroomsnelheid. Met een mooi Engels woord ‘velocity’.

Nu proberen de overheden hetzelfde weer in de huidige crisis en hoopt men dat de prijsstijgingen door blijven gaan, waardoor mensen hun geld blijven besteden in een rap tempo. Men creëert weer enorme hoeveelheden geld, om zodoende dit te bewerkstelligen. Alleen er is een groot verschil nu in vergelijking met de jaren 70. We hebben nu niet alleen een enorme overheidsschuld, echter tevens een enorm hoge private schuld. Wat gebeurt er derhalve met de monetaire inflatie en de doorstroomsnelheid? Juist, de doorstroomsnelheid neemt af, want de private schuldenaren hebben dit extra gecreëerde geld hard nodig om hun schulden af te betalen of zelfs te financieren. Daarom stokt de doorstroomsnelheid van het nieuw gecreëerde geld. Dat geld wordt niet meer gebruikt voor gebruiksartikelen, behalve dan in absolute nood, maar voor de financiering van de schulden en de inelastische producten, zoals voedsel, energie en onderdak. Met inelastisch bedoel ik dat men geen keuze heeft om deze producten aan te schaffen, daar iedereen moet eten, zich vervoeren en een dak boven zich nodig heeft. Daar kan kan men dus niet veel op bezuinigen. Dit gaat dan ten koste van de industrie, die moeite heeft om haar producten af te zetten. Met als gevolg sluiting van fabrieken, massaontslag en verdere inkrimping van de economie. Deze toestand kunnen we daarom kenmerken als een van biflatie, dus een deflatie van niet-essentiële producten en inflatie van noodzakelijke producten.

Hyperinflatie hoeven we niet op rekenen, zelfs niet in de voedsel- en energievoorziening. Dat heeft te maken met de marktconforme respons, want er vloeit rechtstreeks kapitaal uit de secondaire sector, de industrie,  richting de primaire sector, landbouw en grondstoffen. Vanwege de hogere rendementen in deze sectoren is dit uiteraard een normale omstandigheid. Derhalve zal de voedsel- en energievoorziening toenemen. Meer landbouwgrond wordt in ontwikkeling genomen, andere energiebronnen en -middelen worden ontdekt en uitgevonden en vanwege de toegenomen productie en gelijkblijvende vraag zullen uiteindelijk de prijzen zelfs in deze inflatoire sectoren zich stabiliseren. Biflatie zal tot dan ons lot blijven, uiteindelijk uitmondend in een langjarige deflatoire cyclus. Prijsdeflatie, zoals dat wordt verwerkt door de statistische bureau’s, is dan aan de orde van de dag. Deze prijsdeflatie zal behoorlijk langdurig zijn, omdat de schulden steeds lastiger kunnen worden afbetaald als men wordt ontslagen en inkomsten verliest. Zodoende moet men rekenen op een massale schuldsanering en kredietinkrimping, welke dus de banken en financiële instellingen doen wankelen. We zagen dit scenario zowel  in de jaren 30 als vanaf de jaren 90 tot nu in Japan. Wat men ook deed, de prijsdeflatie was in volle gang.

Markteconomisch inzicht

In tegenstelling tot wat velen denken is het grote probleem niet de prijsdeflatie zelf, maar juist de voorafgaande kredietexpansie en monetaire inflatie. Beide middelen hebben de deflatie al ingebakken in het systeem zitten. Vanuit markteconomisch inzicht is deflatie immers een geheel normale zaak en in geval van crises werkt het bovendien als een schoonmaakmechanisme voor de economie. Wanneer de schoonmaak is voltooid dan kan de economie zich weer herstellen en de reële groei hervatten. Wanneer dan de goudstandaard in ere is hersteld, dan hoeven we ook niet meer bang te zijn voor de monetaire excessen zoals die zich sinds de jaren 70 hebben voorgedaan.

Maar zover is het nog niet helaas en zullen we gezamenlijk de gang naar beneden moeten meemaken, waarbij uiteindelijk de meeste banken failliet zullen gaan. Het is aan de politiek nu om een besluit te nemen. Of we gaan door met het ‘redden’ van banken via de enorme kapitaalinjecties in eurozonelanden als Griekenland, Portugal en Ierland, of we zeggen genoeg is genoeg en sluiten de kredietkraan. Wanneer we voor het laatste opteren, dan is er een tijdelijke economische crisis van zo’n 2 jaar, waarna we vanaf een lager plateau onze economie weer kunnen laten draaien. Kiezen we nog steeds voor de ingeslagen weg, dan wacht ons een hele lange deflatoire crisis van minimaal 10 jaar met bijkomende ellende zoals verdere gestage verarming uitmondend in overmijdelijke gewelddadige opstanden en revoluties.Zullen onze politici slim zijn of zullen ze immer aan de leiband lopen van de bancaire sector, zoals ze dat tot nogtoe hebben gedaan. De tijd zal het leren.

Essays:

Deflation may Win Out; Richard Russell, Dow Theory Letters, 18 mei 2011, San Diego, Ca. USA

The Blessings and Curse of Banking; Richard Cantillon, (Orig. 1755), 12 mei 2011, Mises Institute, Auburn Al. USA

The Great Myth of the Inflation Cure; Doug French, 6 mei 2011; Mises Institute, Auburn Al. USA

Money can’t buy you Economic Prosperity; Shawn Ritenour, 26 april 2011, Mises Institute, Auburn Al. USA

So you thought the Sovereign Debt Crisis was over?; Martin Armstrong, 10 mei 2011, Princeton Economics, USA

The Federal Reserve as an Engine of Deflation; Antal Fekete, 19 juli 2009, San Francisco School of Economics; San Francisco, Ca. USA

Can we have Inflation and Deflation?; Antal Fekete, 2007, San Francisco School of Economics; San Francisco, Ca. USA

Is Biflation real?; Newsweek, 16 augustus 2010, New York, NY USA

Debt and Deflation; The Economist, 13 november 2008

Er is nog veel nodig om de  Angel uit de Markt te halen; Sweder van Wijnbergen; FD Fondsnieuws, apriluitgave 2011

Stijging van Voedselprijzen is een Bron van Onrust; Dennis van Ek; FD Fondsnieuws apriluitgave 2011

Forbes predicts Gold Standard within Five Years; Forrest Jones, MoneyNews, 11 mei 2011, Palm Beach, FL USA

Debt Saturation and Money Illusion; Gordon T. Long; Financial Sense, 28 april 2011, San Diego, Ca. USA

Bron: Vrijspreker.nl

10 REACTIES

  1. Dat deflatie er voor zorgt dat je morgen meer voor je geld kan kopen (apparatuur en dergelijken), wordt ook niet als ‘goed’ gezien, althans niet door mij.
    Waarom niet?
    Aankopen worden uitgesteld. Immers overmorgen kun je nog meer kopen dan morgen. Bedrijven verkopen vandaag dus minder, en hebben vandaag minder arbeid nodig = meer werkloosheid. Bedrijven zullen verwachten, met een aanhoudende deflatie, dat ze morgen ook niet veel zullen verkopen, dus de investeringen zullen dalen. Dit allemaal zal leiden tot kleinere of negatieve economische groei.
    Dus de ‘goede’ deflatie, is niet zo goed.

    Een kleine inflatie daarentegen ontmoedigt het kopen van toekomstige opbrengsten niet. Dus een kleine inflatie zorgt voor meer investeringen en inderdaad meer schulden. De schulden hoeven geen probleem te zijn, zolang de totale verwachte opbrengsten en kosten van de investeringen positief zijn en de markt voldoende liquide is.

    In het geval van de afgelopen crisis, bleek er in de huizenmarkt een bubbel te zitten. De crisis die ontstond werd enorm versterkt doordat de markt niet liquide genoeg was.
    Banken moeten meer gestimuleerd worden in het doorvoeren van anti-cyclisch beleid, door meer geld ‘in kas’ te houden als systeemgerelateerde risico’s groter worden, als schulden groter worden, als er sprake is van maturity mismatch (banken lenen op korte termijn geld en lenen het uit op lange termijn weer uit, en zijn daarom niet makkelijk liquide te maken). Er worden verschillende manieren genoemd om dit te bewerkstelligen: de basic CAR uit Basel II uitbreiden met deze risico’s en het introduceren mark-to-funding principle, zijn er slechts twee.

    Ik ben kennelijk niet van de Oostenrijkse school, en ik heb m’n vraagtekens of deflatie wel zo reinigend werkt.


    Peter Aalvink, student ‘economics’ aan de RuG

  2. Werkelijk een uitstekende uitleg van Albert Spits.
    Mogelijk is als aanvulling op dit exposé de Fischer-vergelijking interessant.
    M*V=P*T ofwel Money*Velocity = Price*Tradevolume; daling van de Velocity leidt bij gelijkblijvend tradingvolume tot lagere prijzen.
    Schuldverminderingen a.g.v. de geldverruiming uit QE 1 en 2 verdwijnt in het schuldengat door het opkopen van toxic of bad loans; het gevolg van de monetaire verruiming is beperking van de geldstromen ofwel geldbeschikbaarheid.
    Gelijktijdig gaat de krimp van de financiële economie gedeeltelijk over naar de grondstoffeneconomie, aangezien dit als enige waarde anker wordt gezien. Dit is nu al enkele jaren zichtbaar in de markten.

  3. aan Peter Aalvink

    Het is zaak de Kondratiev-cyclus weer terug te brengen in het studiepakket voor (makro)- economie studies.

    Deflatie zorgt inderdaad voor uitstelgedrag; gebrek aan vertrouwen eveneens. Deze wisselwerking is gaande

    Een aanrader in deze is het boekwerkje van Eric Mecking: ‘Deflatie in aantocht’.

  4. Inderdaad, helemaal met Tradewind eens. Over de kondratief cyclus hebben ze bij RuG nog nooit gehoord. En ik weet wel waarom!
    Ik heb echt wel mijn twijfels over RuG !!
    Zelf ben ik er niet geweest, maar een vriend van mij wel. De opleiding is daar niet slecht, zeker niet. Je kunt met zulke opleiding uitstekend terecht voor een top-functie bij een bank.
    Iemand van de “Oostenrijkse school” kan dat niet. Maar dat zijn wel de ECHTE economen.

    Dat deflatie koopgedrag artikelen uitstelt is echt onzin. Tijdelijk heeft het wel een negatief effect. Het is in deflatie-tijd meer de angst die een rol speelt.
    Deflatie-tijd heeft zeker ook een genezende werking. Sterke bedrijven blijven overeind en de zwakke vallen af. Ook de leegloop van de schuldenberg is op de langere termijn gezond.
    Het is een paar jaartjes wat minder om de hele economie kerngezond te krijgen. Maar dat is iets wat banken niet willen. Het is de “finaciele sector” waar alles om draait, NIET de “economie”.
    Dit laatste is de boodschap van de oostenrijkse school, en daarom kotst de “finaciele sector” de ECHTE economen uit!

  5. Hoi Gerard, Tradewind,

    we kennen het facet: business-cycle wel.

    Deflatie op bezittingen (zeg: een aandelenportfolio) die op lange termijn pas kunnen worden geliquideerd (zoals met veel investeringen het geval is), zullen in een niet liquide markt (zoals de financiële markt in de afgelopen crisis) een nog sterkere deflatie kennen, omdat de markt niet liquide is. Voorbeeld: als een bank om welke reden dan ook moet afschrijven op bezittingen, waardoor de solvabiliteit van die bank in gevaar komt, dan wordt het gedwongen bezittingen te verkopen. Stel dat deze bezittingen met een fikse korting verkocht moeten worden (niemand wil het kopen, niemand weet of het veilig is, dus de prijs daalt aanzienlijk tot beneden de fundamentele waarde van de bezitting). Dan moeten andere banken die dezelfde bezittingen op de balans hebben staan met dezelfde korting afboeken (mark-to-market accounting model) en komen deze banken ook in solvabiliteitsproblemen komen. Zo kom je in een negatieve spiraal.

    Er wordt in dit artikel van Albert Spits vanuit gegaan dat deflatie reinigend werkt. In mijn ogen (die negatieve spiraal), gaat dit in ieder geval niet op voor de huidige financiële crisis. Als de bakker op de hoek failliet gaat, heeft de bakker op de andere hoek daar baat bij. Als een bank failliet gaat, en die negatieve spiraal treedt in werking, dan zal een (flink) deel, van de financiële sector failliet gaan. Dat betekend dat er financiële instanties failliet gaan, niet omdat de fundamentele waarde van de bezittingen zo laag is, maar omdat de prijs van de bezittingen naar beneden wordt getrokken door grote financiële instanties die in de problemen zitten.

    De financiële sector hoort in dienst te zijn van de reële economie. Dat ben ik, en hoop ik vele economen (ook de niet ECHTE), met je (Gerard) eens, dat hoeft niet Oostenrijks te zijn. De financiële sector is de afgelopen jaren veel sneller gegroeid dan de reële economie, ik neem aan de je als econoom daar vraagtekens(!) bij mag stellen.

  6. Aan Peter Aalvink (en Gerard)

    De business-cycle ligt meer op Juglar niveau
    In een van mijn risicoanalyses (10 september 2007) voor de zorgsector heb ik de volgende frases opgenomen, betrekking hebbend op de Kondratiev-cyclus. Mogelijk biedt dit het perspectief wat ik bedoel.
    We zijn nu een Kitchin-cyclus verder en de volgende fase (van ellende) dient zich nadrukkelijk aan.

    In vervolg op de notitie inzake toekomstige financieringsfrisco’s dd 11 februari 2007 en renteanalyses dient dit rapport ter waarschuwing en marktoriëntatie.Bij analyses kwam een opvallende afwijking in de recente renteontwikkeling in beeld die van belang kan zijn voor iedere partij die zich op de financiële markten beweegt.

    Medio 2007 kwamen de eerste problemen in de Amerikaanse subprime hypotheekmarkt naar voren; de effecten hiervan escaleren nog steeds in alle financiële markten en hebben tweemaal geleid tot een stagnatie in het geldmarktverkeer als gevolg van een vertrouwenscrisis in het interbancaire circuit. Dit werd bestreden door tot nu ongekende monetaire geldinjectie door de centrale banken. Vele honderden miljarden dollars en euro’s zijn in de monetaire circuit gepompt om de markten enigszins tot rust te brengen in een poging het vertrouwen te herstellen.
    Bijkomende verschijnselen als valutarisico’s en inflatoire effecten worden hierbij even gepasseerd.
    De risicofactor stijgt inmiddels zeer sterk en daarmee de ingecalculeerde premie voor verschillende categorieën marktpartijen.
    Het soliditeitniveau van geldvragers wordt verder gesegmenteerd en toenemend kritisch beoordeeld.
    Het kernpunt is, dat de afwijking tussen de rentevoet van Staatsgeld en de onderhandse markt sterk groeit in de laatste maanden en verder kan escaleren. Om de oorzaak hiervan te duiden en de gevolgen hiervan in te schatten dient onderstaande analyse en achtergrond van het ontstaan van de problemen.
    Mijn advies- zorginstellingen moeten nog flinke financieringsarrangementen aangaan, de verdere ontwikkeling in deze unieke marktomstandigheden is van evident belang.

    Toelichting:
    Ter informatie is een korte persoonlijke achtergrond van mij als analist noodzakelijk.
    Belangrijker nog zijn de economische achtergronden welke een en ander in context plaatst.

    • Reeds ruim 20 jaar houd ik me bezig met (technische) analyse van financiële markten.
    Ruim 5 jaar ben ik actief binnen een beleggersgroep van individuele analisten, die ieder op internet en gezamenlijk vanuit verschillende achtergronden analyses maken. De belangrijkste elementen die ik analyseer zijn de intermarket-analyse en de diverse cycluselementen, zoals Kitchin-, Juglar- en Kondratiev cycli.

    • Binnen financiële markten zijn continue interacties tussen bewegingen van grondstoffenprijzen (waaronder edelmetalen), inflatieontwikkeling, rentebewegingen en obligatiemarkten, valutamarkten en de aandelenmarkten. Binnen die markten zijn sectoren leidend, anderen volgend; dat geldt ook weer voor elementen binnen die markt, zoals de bankensector binnen een totale index.
    Onzekerheid in markten leidt tot grotere beweeglijkheid. Deze beweeglijkheid, de volatiliteit, leidt tot hogere risicopremies en wijzigingen in onderlinge verhoudingen.

    • Vele markten staan op de rand van extremiteiten.
    Markten bewegen zich in cycli:
    De Kondratiev en Juglar zijn marktmechanismen in langere cycli. De Kondratiev wordt wel gezien als een levenscyclus (60-80 jaar), de Juglar (15-20 jaar) als een investeringscyclus en de Kitchin (3-5 jaar) als een voorraadcyclus.
    In monetaire en politieke termen is met name de Kitchin-cyclus beïnvloedbaar.
    Kondratiev en Juglar hebben sterke impact en domineren de over het algemeen op korte termijn gerichte monetaire en politieke invloeden.

    Als simpel voorbeeld van de Kondratiev-cyclus mag dienen, dat de financiële krach van 1929 werd veroorzaakt door de gedachte, dat binnen met name aandelenmarkten de bomen tot in de hemel groeiden en ieder individu vanzelfsprekend rijk kon worden door met geleend geld aandelen te kopen. Maar toen de cyclus tot zijn eind liep, zag men (in volslagen ongeloof en paniek) vele markten in enkele jaren met 50-90% wijzigen. Banken en individuen kwamen in grote problemen
    (eenzelfde beeld is momenteel gaande echter met een extensie hoger qua speculatie en risicograad.
    Monetaire autoriteiten konden in 1929 slechts achteraf de schade in de loop van decennia herstellen, geholpen door een oorlogseconomie in de jaren 40, waarna een nieuwe Kondratiev zomerperiode aantrad met grote economische voorspoed.
    Deze periode werd vanaf de oliecrisis in 1973 en vooral na de beurskrach van 1987 in toenemende mate gevoed door geldschepping, (Money supply, M3) en geleend geldcreatie op zowel Staats- regionaal, gemeentelijk als individueel niveau.

    • In de eindfase van de Kondratiev-cyclus wordt die rekening betaald. Zolang het Kondratiev-wiel draait, is er niets aan de hand, maar naarmate het systeem vermoeider wordt, ontstaan monetaire en politieke hulpmaatregelen, die geleidelijk verstarren in de onontkoombare cycluseffecten. Dit laatste is de afgelopen jaren volop gaande; de kernvraag is of de monetaire autoriteiten nogmaals een tijdelijk antwoord op de bewegingen kan vinden, maar mijn marktanalyses leiden tot de aanduiding, dat monetaire maatregelen nu nauwelijks meer of slechts kortstondig invloed kunnen hebben op de voortgaande cyclus.
    Het vermoeider worden van de markten wordt ondermeer zichtbaar in het zich opsluiten in een steeds kleinere range van bewegingen, een zgn. wigformatie in grafieken, waarbij de uitbraak leidt tot een extreme tegenbeweging. Talloze voorbeelden zijn hiervan voorhanden. Bij analyses wordt hiervan door mij veel gebruik gemaakt. Sommige markten zijn hierbij leidend, anderen volgend. In de renteanalyse komt dit gegeven terug, maar ook in andere financiële markten.

    • De basis van de economie gedurende millennia was het gebruik van gouden en zilveren munten of ander fysiek materiaal om onderling te verrekenen. Een fysieke ruil dus!
    In de laatste Kondratiev-cyclus is de economische ruilhandel overgegaan in papiergeld; in de laatste Juglar, vooral na de beursval van 1987, overgaand in digitaal geld door middel van vorderingen op overheden, banken en instellingen, individuen ed. en dit weer op basis van onderling afgesproken maatregelen, zoals derivaten (o.a.termijncontracten, swaps en opties) en pasjes en creditcards.
    Het chartale geldcircuit is vrijwel tot stilstand gekomen.
    De onderliggende waarde van alle vorderingen is gebaseerd op vertrouwen.
    Het ‘leen’geld werd tussen partijen onderling weer gedekt door andere partijen of op papier verhandeld door middel van schuldbekentenissen of derivatenconstructies ter indekking.
    Deze onderlinge constructies van schuldpapier en derivaten worden vooral verhandeld door zgn. hedgefunds en zijn door geen enkele partij meer in beeld te brengen, maar deze, vooral Westerse economie is inmiddels tientallen malen groter geworden dan de feitelijke grondstoffen- en diensteneconomie.
    Inmiddels zijn er meer hedgefunds actief dan er aandelen staan genoteerd aan de New York Stock Exchange NYSE.
    In 1998 leidde het omvallen van één hedgefund, de Long Term Capital Management, (LTCM) tot een beursval van 40%.
    Momenteel zijn er marktgeruchten dat de helft van de hedgefunds in liquiditeitsproblemen verkeren, welke per einde van dit kwartaal zichtbaar zullen worden. Deelnemers zijn verplicht het onttrekken van participaties 6 weken voorafgaand aan einde kwartaal te melden.
    De geruchten circuleren, doch zijn niet openbaar.
    Feit blijft dat veelvuldig centrale banken met nog nooit vertoonde inzetten inspringen en toppolitici, Bush, Balkenende via media tot rust en vertrouwen manen. In dit stadium is dit de maximale mogelijkheid, bij escalatie is het druk bij de exit.

    De conclusie is :Het chartale geld is nu dus een minimale factor; de na de voorgaande Kondratiev-crisis van 1929 afgesproken gouddekking voor het geldstelsel, (Bretton Woods) is in 1971 door president Nixon losgelaten, nadat Frankrijk een deel van de goudvoorraden opeiste in ruil voor hun VS-dollars. Na het losmaken van de koppeling sprong de goudprijs van $ 35,- in 1971 naar ruim $ 800.- in 1980 per ounce (31 gram)
    Het girale en digitale circuit is een vordering op veelsoortige partijen geworden.
    Het vorderingencircuit is voor elke participerende partij qua totaal ondefinieerbaar, niet meer meetbaar en niet meer te controleren qua oorsprong. Het bestaat uit onder vele namen benoemde vorderingen en schulden, die veelal niet meer door bankrekeningen worden gedekt.
    De zgn. off-balanceproducten bestaan op basis van vertrouwen.
    Donderdag 6 september kwam ook vanuit onverwachte hoek namelijk oud Federal Reserve voorzitter Greenspan de opmerking dat de huidige monetaire situatie sterke overeenkomsten vertoont met 1987 en 1998.
    Qua samenhang van processen en speculatie zie ik meer de vergelijking met de periode voorafgaand aan 1929. Weliswaar zijn de centrale banken nu veel meer ingericht om in te grijpen met geldinjecties in het systeem. Dit leidt echter tot een stuwmeereffect en monetaire inflatie. Het kernprobleem wordt even verhuld. Als markten gaan bewegen in een meer panische vorm is er geen injectie meer mogelijk; behoudens verlaging van de geldmarktrente, hetgeen ook in het verleden gebeurde. In de huidige situatie leidt dit echter tot capitulatie van de dollar t.o.v. andere valuta.
    De FED staat in een prisoners-dilemma, een nog niet eerder voorkomend precedent.
    Eén van de vele elementen in de markt is het schuldpapier in het hypothecaire circuit. Schuldpapier wordt ingedeeld in Staatsgegarandeerd, Triple A, Double A, Single A en lagere gradaties.
    In de VS wordt de lagere gradatie ook het SUB-PRIME-segment genoemd.
    In juli jl ontstond turbulentie inzake de zgn. subprime hypotheken; één van de aspecten van de ‘debt-bubble’.
    Per week en dag volgden meer alarmerende berichten over andere bankproblemen met leningen van hogere gradatie dan subprime, wat leidde tot grote afboekingen en insolventies van banken in de VS, Duitsland en Frankrijk. (zie bijlage 2, de dagrapportages van AFS Capital Management en een visie van enkele andere partijen).
    Plaatje bubbels:
    Alle elementen in bovenstaand plaatje hangen met elkaar samen en hebben met elkaar gemeen, dat ze een of andere extreme overwaardering hebben gekregen. De ‘low savingsrate’, die als smeermiddel voor veel overconsumptie en bestedingen heeft geleid tot positieve economische kengetallen, is onderhevig aan een forse stijging sedert tweede helft 2005. In de VS is zrlfs tijdelijk door autofabrikanten 1% rente toegegeven om auto’s te verkopen; inmiddels worden diezelfde kopers van duurzame middelen geconfronteerd met percentages die oplopen tot ver boven de huidige marktprijzen van 5,5%.
    Om andere elementen uit bovenstaand plaatje buiten zicht te brengen, zijn met name in de VS onder andere de gegevens van de Money Supply (de in omloop zijnde geldhoeveelheid en een inflatie aanjager) sedert maart 2006 niet meer openbaar en worden de inflatiecijfers niet alleen steeds qua definitie gewijzigd, maar ook achteraf vaak meerdere malen, veelal in negatieve zin, aangepast; dit buiten de publicatie van de eerder gepresenteerde cijfers die volop media-aandacht hebben met bijbehorende primaire marktinvloeden.
    Programma’s als Tegenlicht en Zembla hebben met achtergrondjournalistieke themaprogramma’s al verschillende malen aandacht aan de kritieke elementen van enkele aspecten gegeven.
    Overheden en (centrale) bankiers hebben geen enkel belang om de risico’s samenhangend met dit soort statistische gegevens in het nieuws te brengen. Al te kritische geluiden schenden het zo broodnodige vertrouwen.
    Insiders echter trekken individueel de laatste maanden uit de kritische markten. Een voorbeeld hiervan is de terugtrekking van kapitaal van Japan uit de westerse markten, de zgn. Carry-trades. Ook China waarschuwt dat zij tegenover de dreigende sancties van de VS eventueel een deel van haar dollarbezit ad ruim 1.300 miljard zal verkopen. De VS is economisch en monetair gezien geheel afhankelijk van de bezitters van haar staatsschuld ad $ 9.000 miljard. Onduidelijk is wie de laatste jaren de excessieve tekorten financiert; ook is de in omloop zijnde geldhoeveelheid is een sinds 2 jaar niet meer gepubliceerd fenomeen.
    Strategische beleggers zijn rond de eerste forse financiële waarschuwing in de periode september 1999-2003 overgegaan tot risicodekking door een groter belang in de grondstoffenmarkt, met name de edelmetalen zoals de goud- en zilvermarkt, dit zet zich nog steeds voort ondanks grote verkopen van partijen goud uit de centrale banken van verschillende landen en vanuit de reserves van het Internationaal Monetair Fonds.

    Dit is een onderdeel van de risico-inventarisatie van september 2007, waarna nog velen volgden. In juni as moet ik op een congres voor financieel managers in de zorgsector een inleiding houden over de financierings problemen inzake infrastructuur in de zorgsector:
    Titel “bedreigt het financiële EBOLA virus ook uw geldstromen’

    Nu ik alles nogmaals heb bestudeerd en opnieuw getoetst (via officiele websites) is het failliet van het westers financieel systeem naar mijn mening onontkoombaar. Het financiele stelsel is als een gezwel doorgewoekerd en ongeneeslijk ziek.

  7. Beste Peter Aalvink,
    Bedankt voor je uitvoerige uitleg. Ik geloof dat ik je wel snap. Het financiele systeem gaat zeker zwaar leiden onder deflatie, economie natuurlijk ook. Maar…. het finaciele systeem kan alleen maar “in de lucht” gehouden worden door schulden steeds verder op te hogen. Dit kan niet eeuwig duren, ook nu niet meer door inflatie omhoog te stuwen. Uiteindelijk zou je dan een wereld creeren van 192 Griekenlanden.
    Elke econoom snapt zeker dat het financiele systeem in elkaar zal zakken bij deflatie. Maar de schuldenlast is OOK onhoudbaar.
    Daarom, laten we de pijn maar leiden. Het komt er toch een keer van. Een ziek financieel systeem mag best omvallen. Er zal dan een nieuw “begin-punt” van zowel economie als financieel stelsel ontstaan, zoals dat ook in 1949 het geval was (begin nieuwe kond.cyclus).

    @Tradewind,
    De geldhoeveelheid (M1,2,3) wordt niet officieel gegeven, maar wel onofficieel via de achterdeur. Dit wordt keurig bijgehouden op een site waarvan ik even de naam niet bij de hand heb nu: Iets van shadowgoverment.com of zoiets.

  8. Nog eente Peter,
    Ga uw argument eens peilen aan Japan. Nu weet ik wel, Japan heeft een enorm overschot op de handelsbalans, maar toch. 20 jaar lang dalende huizenprijzen (deflatie). En toch bleef de economie vrolijk doorstomen! En niet zo’n beetje ook.
    Nu begrijp ik best het verschil tussen Japan met de VS en de Eurozone. Hier ga je het financiele systeem niet meer overeind houden. Ook niet meer met totale uitholling van de economie, of de drukpers.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Vul alstublieft uw commentaar in!
Vul hier uw naam in

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.