Geld gezien door de ogen van een Professor Scheikunde

16

Deze intrigerende titel deed mij onmiddellijk alles om me heen vergeten, want wat had dit nou weer te betekenen? De oorspronkelijke titel luidde ‘The Physics of Money’, een essay geschreven door Ugo Bardi, een Professor Scheikunde, verbonden aan de Universiteit van Florence, Italië. De observaties die hij deed, waren in ieder geval opmerkelijk genoeg evenals zijn logica rond het geldsysteem, zoals we dat nu kennen om er toch uitgebreid aandacht aan te besteden.

scheikunde economie

Basisvraag

De vraag die aan zijn essay ten grondslag ligt was:  Waarom gebruiken wij eigenlijk papier- en muntgeld naast elkaar? Zo moeilijk kan het toch niet zijn om munten van een hogere waarde te voorzien. In Europa is de 2 Euromunt de hoogste muntwaarde die we kennen. Dat kan je toch makkelijk veranderen in bijv. 20, 50 of 100 Euro? De waarde van het basismateriaal waaruit ze geslagen zijn heeft allang niets meer met de intrinsieke metaalwaarde van doen.

Of andersom geredeneerd, waarom kunnen we papiergeld niet in kleinere coupures drukken? Er is niets dat ons daarvan weerhoudt toch? En de Italiaanse economie heeft in de 70’er jaren jarenlang zowat zonder muntgeld gedraaid op basis van papiergeld met geringe waardes.

Vragen, vragen, vragen

Het heeft de professor enige tijd gekost dit te verklaren op basis van natuurkundige eigenschappen. En zoals hij dan schrijft, deze verklaring mag dan misschien volkomen duidelijk zijn voor economen, voor de leken is hij dat zeker niet. Het is ook niet als algemene kennis ergens anders beschikbaar, tenminste niet op ons onvolprezen internet, althans hij kon het nergens vinden, gaat hij verder. Dus wil hij graag deze discussie openen en stelt daarbij nog eens nadrukkelijk dat hij een Professor in de Scheikunde is en geen econoom en de zaken dus benadert vanuit de exacte wetenschappen.

In den beginne was er goud

Vanaf zo’n 5000 jaar geleden zien we gouden objecten in de archeologische verslagen verschijnen. Vaak in de vorm van sieraden, dodenmaskers en allerlei kunstzinnige uitingen, die aangaven dat koningen, keizers en regeringen goud gebruikten om  hun macht en rijkdom te etaleren. En al snel werd goud over de gehele wereld als waardevolle materie beschouwd. Het was vaak het doel van militaire expedities maar ook onderdeel van zakelijke transacties. We moeten echter wachten tot ca. de 6e eeuw BC, voordat goud ook daadwerkelijk verschijnt als munt in het economisch verkeer, zoals we geld nu kennen. Volgens de verslagen werden ze voor het eerst gemunt in Lydië, een streek in Anatolië, maar ook China wordt in verband genoemd.

Munten slaan

Het slaan van munten is op zichzelf al een opmerkelijk  technisch wapenfeit. Het vereist harde stempels waarmee gouden of zilveren schijven geslagen konden worden, die dan ook nog eens alle dezelfde beeltenissen moeten dragen. Het maken van deze vereiste stempels vraagt al om zeer geavanceerde technieken. Maar eenmaal uitgevonden verspreidde deze kennis zich al snel over de gehele wereld en kwam het tot een wereldwijd gebruik van gouden en zilveren munten. Munten waren immers praktisch in het dagelijks leven, gemakkelijk te transporteren, gemakkelijk te herkennen en makkelijk uitwisselbaar.

Verspreidingsgebied

Gouden munten behielden ook hun waarde ver weg van de plaats waar ze oorspronkelijk geslagen waren en openden hiermee de mogelijkheid tot internationale handel. En slechts een paar eeuwen na deze Lydische uitvinding werden dit soort munten een stabiel kenmerk in de wereldhandel. Goud zou deze functie zo’n 2000 jaar lang uitoefenen.

Als je over het munten van geld begint, dien je in ieder geval twee zaken voor goud en zilver in het oog te houden.

  • Ze moeten schaars zijn en moeilijk te produceren
  • Beiden hebben verschillende mechanische eigenschappen

Mechanische eigenschappen

Als je een gouden munt wilt maken zul je rekening moeten houden met de mechanische eigenschappen: Je kunt ze niet te klein of te dun maken. Maak je deze erg klein dan kunnen ze gemakkelijk verloren raken, maak ze te dun en ze buigen makkelijk waarbij zij hun vorm verliezen. M.a.w. je hebt een minimale hoeveelheid goudgewicht nodig. In de praktijk zijn er geen munten gevonden uit antieke tijden, die minder dan 3,5 gram goud bevatten, ofwel ca. 0,1 troy ounce, zoals bijv. de Florijn, de munt uit de Florentijnse Republiek uit de renaissance. Gewoonlijk wegen gouden munten meer dan dat. De Romeinse Aureus woog bijv. 8 gram. Dergelijke gewichten tref je ook aan bij zilveren munten. Er zijn ook verslagen die andere gewichten aangeven, maar we spreken hier over  gangbare doorsnee gewichten van ca. 4 tot 8 gram.

Geologische schaarsheid

Een ander natuurkundig feit is de geologische schaarsheid van goud. Dit heeft niets te maken met de grootte en gewicht van de munt, maar wel met de aantallen. In antieke tijden was men niet in staat zoveel goud en zilver te delven dat men iedere burger daarvan kon voorzien. Vandaag de dag liggen de ramingen voor gedolven goud door de eeuwen heen tussen de 150.000 en 170.000 ton. Ter vergelijk, de ramingen voor zilver liggen op meer dan 1 miljoen ton. De wereldvoorraad goud komt daarmee in de orde van grootte van 22 gram per persoon. Veel moeilijker wordt dit om dit getal voor antieke tijden te schatten. Niettemin zijn die schattingen er en Govett (1982) zegt hierover dat dit in de range van 30-50 gram per persoon zou liggen door de geschiedenis heen.  The Gold Money Foundation schat dit getal veel lager in, zelfs minder dan 1 gram per persoon. Ugo Bardi schat zelf in dat deze laatste schatting veel te pessimistisch zal blijken te zijn.

Munten in de praktijk

Dus als je 40 gram goud hebt en je munt moet 4 gram wegen, dan is de hoeveelheid munten beperkt tot 10 stuks. En natuurlijk zouden deze munten ook niet gelijkelijk over de gehele bevolking verdeeld zijn. De rijken konden er wel honderden of duizenden hebben, terwijl de armen er zelfs niet één konden bezitten. Voor de rijken werd goud dan ook het betaalmiddel voor grote transacties. En Cicero’s aankoop van een huis op de Palatijnse heuvel zou dan ook ca. 3,5 miljoen sestertiën geweest zijn, hetgeen het equivalent zou zijn voor ettelijke tonnen zilver, of honderden kilo’s goud. Het afwikkelen van transacties met dit soort aantallen munten was natuurlijk erg bezwarend, maar beslist niet onmogelijk en zeker niet voor weinige gelukkigen, die zich dit konden veroorloven.

Maar er blijft nog een probleem, dat hier min of meer tegengesteld aan is. Hoe kun je nu de kleine dagelijkse uitgaven doen als er alleen maar munten met grote waarde zijn? In antieke tijden werd algemeen aanvaard dat één lam gekocht kon worden voor één goudstuk. Vreemd genoeg is dit niet veel veranderd en dat is zelfs tegenwoordig nog steeds het geval. Maar wat nu als je iets van veel mindere waarde wilt aanschaffen, bijv. een brood? Hiervoor biedt goud geen oplossing. Dat zou te vergelijken zijn met als er in onze wereld alleen maar 100 euro biljetten bestonden en geen kleinere coupures.

Hetzelfde probleem doet zich voor met zilver. Toegegeven, er is meer zilver dan goud, maar ook weer niet zoveel meer. Door de eeuwen heen in de antieke tijden heeft de ratio tussen goud en zilver rond de 1:10 gelegen. D.w.z. de eerste goudstukken waren ca. 10 zilverstukken waard. Dit is natuurlijk al veel beter als kleingeld te gebruiken dan goud, maar voldoet in de praktijk nog steeds niet. Stel dat je nog steeds dat ene brood zou willen kopen, maar voor dat het ene lam moest je zeker meer betalen dan 10 broden. De waarde van die zilvermunt was nog steeds te groot voor dat ene brood. Dus moest het probleem op een andere manier opgelost worden.

Kleingeld en Grootgeld

Het probleem om kleingeld te hebben voor de alledaagse transacties – zoals het kopen van een brood –  was natuurlijk allang in die oude tijden opgelost. Het kleine geld was in die tijd een munt bestaande uit een koper-zilver legering of later zelfs koper en brons. Hieruit is de term kleingeld of wisselgeld ontstaan, dit in tegenstelling tot grootgeld, grote coupures waarmee je in het dagelijkse leven niet veel te maken hebt. En eigenlijk betekent dit zoiets als kleingeld is nergens door gedekt. D.w.z. de waarde van het metaal was veel minder dan de waarde die het in het economisch verkeer had. Grootgeld daarentegen heeft de intrinsieke waarde van de onderliggende metalen, zoals goud en zilver. Een interpretatie die overgenomen is van de Italiaanse kooplieden uit de Renaissance.

Het gebruik van munten

De uitvinding van munten was eigenlijk meer gebaseerd op het tellen van de aantallen munten dan het nawegen van de exacte hoeveelheden goud of zilver die daarin verwerkt waren. Iets dat modernere economen gedekt geld hadden kunnen noemen. Geld gebaseerd op de intrinsieke waarde van die grondstoffen. Het kleingeld daarentegen was al min of meer de voorloper van fiatgeld. Een soort van geld, dat wel een waarde aangaf, maar verder in geen enkele relatie stond tot de metaalwaarde die daarin verwerkt was. En gewoonlijk was de aangegeven waarde veel hoger dan die metaalwaarde.

Fundamenteel verschil

Dit fundamentele verschil stabiliseerde het geldsysteem gedurende vele eeuwen. In feite bestonden er dus al twee totaal verschillende systemen naast elkaar sinds antieke tijden. En ze hadden verschillende doeleinden en ook een totaal verschillend verspreidingsgebied. Het grootgeld werd voornamelijk gebruikt door de rijken en was heel gangbaar in grote transacties en internationale handel. De armen hadden geen emplooi voor goud- en zilvermunten en het was heel waarschijnlijk dat zij hun leven lang zelfs geen goud- of zilverstuk zouden zien, laat staan bezitten.

Het voordeel van de munten met intrinsieke waarde (goud en zilver) was dat het niet plaatsgebonden was. De Romeinen betaalden al met hun goudstukken voor importgoederen uit o.a. China. Voor de Chinezen was de beeltenis van welke keizer op die munten dan ook geen enkel probleem, want ze kenden de hoeveelheid goud of zilver die er in verwerkt was en konden deze munten zo nodig omsmelten en in hun eigen waardestandaard opnieuw uitgeven.

Het tegenovergestelde was waar voor kleingeld. Dat had alleen maar waarde in gebieden waar het was uitgeven en kon dienen voor het betalen lokale belastingen aan de koning of regering. Dit klinkt wel heel bekend in de oren.

Kleingeld was dus eigenlijk een heel goed stuk gereedschap  voor het in stand houden van de plaatselijke economie. Voorts is één van de karakteristieken van kleingeld dat het dus naar plaatselijke omstandigheden in waarde aangepast kan worden t.o.v.  van het grootgeld (de- en revaluatie). En vanwege deze kenmerken was er ook weinig reden ter overlapping van beide systemen: zij hadden beiden een ander doel.

De evolutie van het valutasysteem

Nu zijn we dus in staat de beginselen van ons valutasysteem te begrijpen. Simpel weergegeven is dat als volgt: de munten die wij hebben zijn niet anders dan de afstammelingen van het kleingeld. Terwijl onze bankbiljetten de geëvolueerde vorm van het grootgeld vertegenwoordigen. En uiteindelijk is dit twee systemen principe nog steeds van kracht. Voor een kop koffie betaal je met munten en voor grotere aankopen met papiergeld of zoals nu dan bijv. ook met creditcards, een nog latere afstammeling van papiergeld.

Vandaag de dag zijn de munten nauwelijks nog gemaakt van een zilver/koper legering. Over het algemeen worden deze nu gemaakt van metalen, die weinig kosten, zoals koper-, aluminium- en staallegeringen. Zij hebben echter hun kenmerk van lokale munt behouden. Je kunt ze gebruiken in de landen van herkomst, maar kunnen niet elders worden ingezet. Ook banken zullen ze niet omwisselen.

Papiergeld was eigenlijk simpelweg een promesse die ingewisseld kon worden tegen een zeker gewicht aan goud of zilver, uit te betalen aan degene die zo’n promesse kon overleggen. Op de Engelse bankbiljetten staat nog “I promise to pay to the bearer on the bearer the sum of 10 pounds”, iets wat nu natuurlijk helemaal niets meer betekent.

Door de tijd heen is het papiergeld geëvolueerd tot een echte ‘fiatvaluta’. En nu zelfs transformeert het zich in ‘plastic geld’ in de vorm van creditcards. Hoe dan ook, deze klaarblijkelijke vorm van waardeloze valuta weet zich internationaal nog steeds staande te houden. De dollar wordt nog steeds wereldwijd geaccepteerd en misschien verbaast het u te weten dat 2/3 deel van alle uitgegeven $ 100 biljetten zich buiten de VS bevinden.

Het bovenstaande illustreert nog eens hoe we beïnvloed zijn door gebeurtenissen en gebruiken uit het verleden, die we niet langer nog kunnen begrijpen. Het dubbele-valuta systeem dat we nu gebruiken is misschien wel te vergelijken met het twee-kamer parlementsysteem dat door de meeste democratieën gehanteerd wordt en dat nog stamt uit tijden dat de sociale tegenstellingen misschien nog wel groter waren dan vandaag de dag. Hoewel oude tijden kunnen terugkeren.

Ook moeten we niet verbaasd zijn over het bestaan van meerdere monetaire systemen. De menselijke creativiteit is zo groot dat alles wel als een uitruilmiddel gebruikt kan worden, vooropgesteld dat het voldoende schaars is en moeilijk of onmogelijk om er teveel van te produceren. Denk maar eens aan kunst, antiek, vastgoed en zo verder. Mensen en geld zijn onverbrekelijk met elkaar verbonden, maar het is een complexe relatie die al vele eeuwen bestaat en constant aan verandering onderhevig is. Zullen er ooit op een dag weer goudstukken als betaalmiddel verschijnen? Wie weet?

Bron: Bewerkt naar een essay van Ugo Bardi dat refereert aan een boek van Carlo Cipolla getiteld “Money prices and civilization in the Mediterranean World”.

Share on Facebook0Share on Google+0Tweet about this on Twitter0Share on LinkedIn0

Over deze schrijver

Altijd geïnteresseerd in de goud- en zilvermarkt. Artikelen vaak geschreven vanuit een historische invalshoek. Dick is in september 2016 overleden.