Over goud en economische vrijheid (deel 2)

19

In navolging van deel 1 (lees ‘m hier), hierbij deel 2 | Een volledig vrij bankstelsel en een volledig consequente goudstandaard zijn tot dusver nog niet bereikt. Maar reeds voor de 1e Wereldoorlog was het bankstelsel in de Verenigde Staten (en in de meeste andere landen van de wereld) op goud gebaseerd en was het bankwezen, ook al kwam de overheid nu en dan tussenbeide, toch nog betrekkelijk vrij te noemen. Ten gevolge van een al te snelle kredietuitbreiding bereikten de bankleningen af en toe de grens van de goudreserves, waardoor de rentevoet scherp omhoog ging en de nieuwe kredieten abrupt werden afgesneden en de economie een krachtige, maar kortstondige recessie beleefde. (Vergeleken met de economische depressies van 1920 en 1932 waren de industriële inzinkingen van voor de 1e Wereldoorlog inderdaad goedaardig te noemen.) Het waren voornamelijk de beperkte goudreserves, die de onevenwichtige expansie van de industriële activiteit een halt toeriepen, voordat ze al te grote afmetingen kon gaan aannemen. Na een betrekkelijk korte aanpassingsperiode wist de economie zich dan weer te herstellen, waarna de expansie kon worden hervat.

Federal Reserve

Maar het genezingsproces werd ten onrechte aangezien voor de kwaal: als het tekort aan bankreserves een industriële inzinking veroorzaakte aldus redeneerden de étatisten – waarom dan niet een methode gezocht om de banken extra reserves te verlenen, zodat ze nooit een tekort zouden hoeven te hebben! Als de banken onbeperkt geld konden blijven uitlenen – zo werd er beweerd – dan hoefde het bedrijfsleven nooit meer te maken krijgen met een recessie. En zo werd in 1913 het Federal Reserve System ingesteld. Het bestond uit twaalf regionale Federal Reserve banken, die in naam eigendom waren van particuliere bankiers, maar in feite gesteund en geleid werden door de regering. Het krediet dat door deze banken wordt verleend, wordt in de praktijk (maar niet wettelijk) gesteund door het belastingapparaat van de federale regering. Strikt technisch bezien, bleven de Verenigde Staten gebaseerd op de goudstandaard; iedereen was nog steeds vrij om goud te bezitten, en het goud bleef gebruikt worden als bankreserve. Maar naast het goud kon nu ook het krediet dat door de Federal Reserve banken werd verstrekt (de zogenaamde ‘papieren’ reserves) als wettig betaalmiddel worden gebruikt om de depositohouders te betalen.

1927

Toen het bedrijfsleven in de Verenigde Staten in 1927 een lichte teruggang onderging, creëerde de Federal Reserve extra papieren reserves, in de hoop aldus een tekort aan bankreserves te voorkomen. Veel rampzaliger was echter de poging van de Federal Reserve om hulp te bieden aan Groot-Brittannië, dat veel van zijn goudvoorraad had zien wegvloeien naar de Verenigde Staten, omdat de Bank of England weigerde om de rentevoet te laten stijgen toen de marktomstandigheden daartoe dwongen (een dergelijke maatregel achtte men politiek onverteerbaar). De redenering van de hierbij betrokken autoriteiten was als volgt: als de Federal Reserve extra papieren reserves in de Amerikaanse banken zou pompen, dan zou de rentevoet in de Verenigde Staten dalen tot een peil dat vergelijkbaar was met dat in Groot-Brittannië, hierdoor zou er een eind komen aan Engeland’s goudverlies en zou de pijnlijke politieke beslissing om de rentevoet te moeten verhogen vermeden worden.

De eerste bubbels

De Federal Reserve slaagde in haar opzet: er kwam een eind aan het goudverlies, maar ze vernietigde hiermee tevens bijna de hele wereldeconomie. Het extra krediet dat de Federal Reserve in de economie pompte stroomde door naar de aandelenmarkt – waardoor er een ongekende speculatieve hausse ontstond. Te elfder ure probeerden functionarissen van de Federal Reserve de extra reserves weer terug te nemen en tenslotte slaagden ze erin de hausse te doorbreken. Maar het was al te laat: tegen 1929 had de koortsachtige speculatiedrift zulke overweldigende afmetingen aangenomen, dat er een felle inzinking plaatsvond, die het vertrouwen van het bedrijfsleven totaal demoraliseerde. Dientengevolge stortte de hele Amerikaanse economie ineen.

De eerste depressie

Groot-Brittannië verging het nog slechter en in plaats van de gevolgen van zijn vorige dwaasheid zoveel mogelijk ongedaan te maken, maakte het zich in 1931 geheel los van de goudstandaard, waardoor ook het laatste restje vertrouwen dat nog aanwezig was de bodem werd ingeslagen, waarna er over de hele wereld een reeks van bankfaillissementen plaatsvonden. De hele wereldeconomie belandde in de Grote Depressie van de jaren dertig. Met een logica die deed denken aan een vorige generatie, beweerden de étatisten dat de goudstandaard grotendeels verantwoordelijk was voor het kredietdebâcle dat tot de Grote Depressie had geleid. Als de goudstandaard niet had bestaan, zo redeneerden zij, dan zou het opgeven door Engeland van de goudstandaard in 1931 niet over de hele wereld bankfaillissementen hebben veroorzaakt. (De ironie was, dat de Verenigde Staten sinds 1913 niet op een goudstandaard, maar op een, wat men zou kunnen noemen ‘gemengde goudstandaard’ gebaseerd was; maar toch was het goud dat de schuld kreeg).

Verzet tegen elke vorm van goudstandaard

Maar het verzet tegen elke vorm van goudstandaard – vooral door een groeiend aantal voorstanders van de verzorgingsstaat – werd ingegeven door een veel subtieler inzicht: het besef dat de goudstandaard onverenigbaar is met een politiek van chronische overbesteding (het waarmerk van de verzorgingsstaat). Ontdaan van zijn academische jargon is de verzorgingsstaat niets anders dan een mechanisme waardoor regeringen de rijkdom van de productieve leden van een samenleving confisqueren teneinde allerlei sociale voorzieningen te kunnen betalen. Deze confiscatie geschiedt grotendeels door middel van de belastingheffing. Maar de voorstanders van de verzorgingsstaat zagen al gauw in dat als zij hun politieke macht wilden behouden, de belastingheffing toch binnen de perken gehouden moest worden. Zodoende moesten zij hun toevlucht nemen tot een massaal programma van overbesteding, d.w.z. zij moesten geld lenen door het uitgeven van regeringsobligaties om aldus een reeks van sociale voorzieningen te kunnen financieren.

Onder een goudstandaard wordt de hoeveelheid krediet die een economie kan verdragen bepaald door de tastbare activa van die economie, aangezien elke vorm van krediet uiteindelijk niets anders is dan een claim op het een of andere tastbare bezit. Maar regeringsobligaties worden niet gesteund door tastbare rijkdom, alleen door de belofte van de regering dat ze uit de belastinginkomsten zullen worden betaald en ze kunnen zodoende niet gemakkelijk door de financiële markten worden opgenomen. Een groot deel van de nieuwe regeringsobligaties kon alleen tegen steeds hogere rentes aan het publiek worden verkocht. Op die manier worden de overbestedingen van de regering onder een goudstandaard ernstig belemmerd.

Het loslaten van de goudstandaard maakte het de aanhangers van de verzorgingsstaat mogelijk om het bankstelsel te gebruiken als een middel tot onbeperkte kredietuitbreiding. Zij creëerden papieren reserves in de vorm van regeringsobligaties die – via een ingewikkelde procedure door de banken werden aanvaard alsof ze een werkelijk deposito waren. Zij werden dus het equivalent van wat vroeger een gouddeposito was. De houder van een regeringsobligatie of van een uit papieren reserves bestaand bankdeposito gelooft dat hij een claim op echt bezit heeft. Maar feit is, dat er nu meer claims uitstaan dan er werkelijke activa zijn.

Vraag en aanbod

De wet van vraag en aanbod kan niet worden gecommandeerd. Wanneer het aanbod van geld (van claims) toeneemt in verhouding tot het aanbod van tastbare bezittingen, dan moeten de prijzen op den duur wel stijgen. Op die manier gaan de spaargelden van de productieve leden van de samenleving, in goederen uitgedrukt, duidelijk in waarde achteruit. Wanneer de economische boekhouding tenslotte weer in balans is gebracht, merkt men dat dit waardeverlies overeenkomt met de sociale voorzieningen die door de regering zijn betaald uit de opbrengst van de regeringsobligaties die gefinancierd zijn door de uitbreiding van het bankkrediet.

Inflatie

Bij het ontbreken van de goudstandaard is het niet mogelijk om de spaargelden tegen de confiscatie door inflatie te beschermen. Er is geen veilige opslagplaats van waarde. Als die er wel was, dan zou de regering gedwongen zijn om haar bezittingen onwettig te creëren, zoals geschiedde in de kwestie met het goud. Als iedereen zou besluiten om zijn hele bankdeposito om te zetten in zilver of koper en vervolgens zou weigeren om cheques als betaling voor goederen te aanvaarden, dan zouden de bankdeposito’s hun koopkracht verliezen en zou het door de regering gecreëerde bankkrediet waardeloos zijn als een claim op goederen. De financiële politiek van de verzorgingsstaat vereist dat de bezitters van rijkdom zich op geen enkele manier kunnen beschermen.

Dit is het schandelijke geheim van de tirades door de étatisten tegen het goud. De overbesteding heeft alleen maar tot doel de rijkdom ‘heimelijk’ te confisqueren. Het goud staat dit verraderlijke streven echter in de weg. Het fungeert als de beschermer van de eigendomsrechten. Wanneer men dit eenmaal inziet, dan kost het weinig moeite om te begrijpen waarom de étatisten de goudstandaard zo vijandig gezind zijn.

Share on Facebook0Share on Google+0Tweet about this on Twitter0Share on LinkedIn0

Over deze schrijver

Altijd geïnteresseerd in de goud- en zilvermarkt. Artikelen vaak geschreven vanuit een historische invalshoek. Dick is in september 2016 overleden.