Goud en de Oostenrijkse school (deel 1)

11

De mate waarin iemand in zijn behoeften kan voorzien bepaalt diens welvaart. Het doel van iemand die deelneemt aan de economie is het vergaren van goederen en diensten die zo veel mogelijk zijn of haar behoeften vervullen. Toen duizenden jaren geleden de eerste handel werd gedreven, gebeurde dit zonder geld. Er werd direct geruild tussen goederen die allemaal een bepaalde wisselkoers hadden ten opzichte van elkaar. We nemen als voorbeeld een economie met een jaarlijkse productie van 3000 aardappelen, 2000 zakken graan en 1000 bananen (3:2:1).

De Markt
Een wisselkoers is een verhoudingsgetal tussen twee waardes. Een individu bepaalt de waarde van één goed op basis van de subjectieve bruikbaarheid en schaarste (ofwel beschikbaarheid) ervan. De bruikbaarheid van een goed is subjectief omdat elke deelnemer aan de economie andere behoeften heeft (onderhevig aan smaak, cultuur en trends). Bovendien, wanneer iemand 200 bananen in bezit heeft zal de waarde van 1 banaan voor hem kleiner zijn dan voor iemand die er 2 heeft, ook al hebben zij beide dezelfde behoefte aan bananen. Daarnaast speelt schaarste een belangrijke rol, op Antarctica is het moeilijker een banaan te verkrijgen dan in Brazilië. Door deze factoren hebben goederen voor alle deelnemers aan de economie een andere subjectieve bruikbaarheidswaarde.

Buiten het bepalingsproces van de mens heeft niets waarde‘ -Ludwig von Mises- 1912

Nadat door een individu één waarde is vastgesteld kan er in een directe ruil tegen een ander goed een wisselkoers tot stand komen door te onderhandelen. Dit is het proces van vraag en aanbod. Als er in een economie een goed in overvloed is, stijgt het aanbod en daalt de waarde ervan ten opzichte van alle andere goederen. Laten we er voor het gemak van uitgaan dat in ons voorbeeld de wisselkoersen schommelen rond de getallen; 0,67 aardappelen tegen graan (2/3), 0,5 graan tegen bananen (1/2), en 0,33  aardappelen tegen bananen (1/3). Enerzijds zorgt het verleden voor een richtlijn in de totstandkoming van wisselkoersen, anderzijds zorgt de vraag en het aanbod daarvoor, maar ook speculanten en handelaren hebben invloed.

Stel, een bananenboer wil bananen ruilen tegen graan. Hij heeft echter geen idee hoeveel goederen er in totaal in de economie aanwezig zijn. Zo zou het kunnen dat hij op basis van zijn subjectieve bruikbaarheid van bananen en graan, 1 banaan tegen 1 zak graan ruilt. Mocht dit gebeuren dan zou dat de aandacht van handelaren trekken. Immers, wanneer zij bij deze bananenboer 1 zak graan tegen 1 banaan ruilen en vervolgens met die banaan 3 aardappelen kopen, dan is dat goedkoper dan 2 zakken graan betalen voor 3 aardappelen. Als dit handeltje loopt zou de vraag naar bananen bij de desbetreffende bananenboer dusdanig toenemen dat de wisselkoers vanzelf op 0,5 uitkomt. Als een speculant voorziet dat de bananenboer een slechte oogst zal krijgen zal hij zeker positie innemen. Zo zijn wisselkoersen vaak eerder beïnvloed dan wanneer de werkelijke oorzaak plaatsvindt.

Als een individu bepaalde goederen wenst te consumeren dan hebben deze een andere subjectieve bruikbaarheidswaarde voor hem dan wanneer hij van plan is deze te ruilen. Bijvoorbeeld, als boer Piet in één jaar 200 aardappelen produceert en hier het hele jaar van kan eten, dan hebben deze aardappelen een bepaalde bruikbaarheidswaard voor hem. Wanneer Piet ook bananen wenst te eten en besluit meer aardappelen per jaar te produceren opdat hij deze kan ruilen tegen bananen, dan zullen de extra geproduceerde aardappelen geen bruikbaarheidswaarde voor Piet hebben. De waarde van de extra geproduceerde aardappelen wordt dan enkel bepaald door de hoeveelheid bananen die hij er tegen kan ruilen.

Ruilhandel

Toen er nog direct geruild werd, was het voor sommige handelaren niet altijd makkelijk de gewenste goederen in bezit te krijgen, omdat er dikwijls meerdere malen geruild moest worden voordat hun einddoel was bereikt. Als de verkoper van graan geen interesse had in bananen, moesten de bananen eerst worden geruild tegen iets waar de verkoper van graan wel interesse in had. Ook bleken sommige goederen een minder geschikt ruilobject doordat ze bijvoorbeeld niet deelbaar waren, bederfelijk, of niet de juiste dichtheid en schaarste hadden. Vanuit deze problemen begon men te zoeken naar ruilobjecten die het meest geschikt waren te verhandelen en die als opslag van waarde konden dienen.

Uiteindelijk maakte men gebruik van één algemeen ruilmiddel; geld. Dit was het ruilobject dat het best verkoopbaar was. Er zijn vele goederen als geld gebruikt (stenen, schelpen, zout, veren, kerfstokken) maar na honderden jaren bleek goud het meest geschikt. Al in de 26e eeuw voor Christus heeft de markt (niet een overheid) bepaald dat goud een valuta is. Hierdoor steeg de vraag naar goud en tevens diens wisselkoers ten opzichte van andere goederen. De waarde van goud was niet meer alleen gebaseerd op zijn bruikbaarheid als metaal, maar meer nog op zijn functie als geld. Als er in een economie geld circuleert, wordt er indirect geruild. Men ruilt (verkoopt) eerst goederen tegen geld en dat geld wordt later weer voor goederen geruild. De goederen zijn altijd het doel, niet het geld.

De waarde van geld, of het nou goud of papiergeld betreft, wordt bepaald door de hoeveelheid goederen die je ermee kan kopen (net als de extra geproduceerde aardappelen van boer Piet die voor hem slechts ruilobjecten zijn). Mises noemde dit de objectieve wisselkoers van geld, tegenwoordig noemen we het de koopkracht. Geld zelf heeft nooit intrinsieke waarde omdat het niet het einddoel van een deelnemer aan de economie is. Geld kan je niet opeten en je kan er niet in wonen. Geld is slechts “dead stock”. Een vergroting van de geldhoeveelheid betekent niet meer welvaart voor een maatschappij, maar eerder minder.

De economie is op de lange termijn gebaat bij maximale prijsstabiliteit. Door de jaren heen heeft goud bewezen zijn koopkracht te behouden. In het jaar 0 kon men voor 1 gram goud bij benadering dezelfde hoeveelheid broden kopen als nu. Daarentegen heeft de Amerikaanse dollar 97% van zijn koopkracht verloren in nog geen 100 jaar. U zult misschien denken dat de goudprijs vandaag de dag hoog staat, maar niets is minder waar. Omdat er elke dag meer euro’s bijkomen daalt de waarde van de euro en dus diens wisselkoers ten opzichte van goud. Het is niet de goudprijs die stijgt, maar de waarde van de euro die daalt. Nogmaals, de waarde van goud wordt bepaald door de hoeveelheid goederen die je ermee kunt kopen, niet door de wisselkoers in euro’s.

De Goudstandaard
Volgens von Mises is prijsstabiliteit onhaalbaar in een wereld waarin alles altijd veranderd. Toch zorgt het ene monetaire systeem voor stabielere prijzen dan het andere. Goud is in tegenstelling tot fiatgeld een goed dat geproduceerd moet worden. Hierdoor zal de waarde ervan in balans blijven met alle andere goederen (die ook geproduceerd worden). In een economie met een goudstandaard zorgt de marktwerking voor de continuïteit van de koopkracht van goud.

Dit werkt als volgt; als er veel goud uit de grond wordt gehaald, vergroot dit de geldhoeveelheid. De prijzen van goederen zullen stijgen, oftewel de waarde van goud neemt af. Hierdoor zal de winst van goudmijnen dalen en worden ondernemers geprikkeld om andere goederen dan goud te produceren. Na verloop van tijd zullen mijnen minder goud produceren en neemt de groei van de geldhoeveelheid af. Prijzen zakken, de waarde van goud stijgt en ondernemers worden geprikkeld om meer goud te mijnen. Etcetera, etcetera. Door de marktwerking wordt de waarde van goud vanzelf gecorrigeerd en zal er maximale prijsstabiliteit zijn.

Jan Nieuwenhuijs

Binnenkort op Biflatie.nl deel 2. Jan gaat in het tweede stuk verder in op de inflatiespiraal en de interne prijsstabiliteit.

 

Over de auteur

Biflatie.nl publiceert artikelen over de crisis en de huidige (macro)-economische situatie. Ook nieuws over bitcoin & cryptocurrencies, de huizenmarkt, goud & grondstoffen, de machthebbers en het monetaire systeem. Twitter: @Biflatie