Goud en de Oostenrijkse school (deel 2)

17

In navolging van deel 1 | Inherent aan de schuldenstandaard (het huidige monetaire systeem) is de inflatiespiraal. Door constante onafgebroken inflatie zal uiteindelijk de waarde van geld gelijk zijn aan nul. Tot die tijd zal het leiden tot scheefgroei. Een gedeelte van de bevolking heeft baat bij inflatie, een ander gedeelte lijdt juist verlies.

Inflatie treedt op als de geldhoeveelheid harder groeit dan de hoeveelheid goederen waartegen het geruild kan worden. Er zullen dan meer monetaire eenheden (euro’s) per goed beschikbaar zijn met als gevolg dat prijzen stijgen. Maar noch de prijzen van goederen, noch inkomens zullen gelijkmatig stijgen. Het is niet zo dat bij 2 % inflatie alle goederen exact 2 % duurder zijn geworden. Of als de geldhoeveelheid 4 % vergroot dat dan iedereen exact 4 % meer geld op zijn bankrekening heeft staan.

De nadelen van inflatie
Ik zal proberen uit te leggen hoe inflatie tot stand komt en hoe dit leidt tot scheefgroei. Inflatie zoals eerder omschreven treedt op als er nieuw geld de economie instroomt. Dit nieuwe geld zal zijn intrede doen via een eerste bezitter. Iemand moet de eerste zijn die het in bezit heeft en via wie het wordt doorgegeven. Stel, er wordt nieuw geld gecreëerd doormiddel van fractioneel reserve banking en dit stroomt de economie in. We nemen als voorbeeld een hypotheek van 200.000 euro. Geld uit het niets gecreëerd door en commerciële bank wordt uitgeleend aan Koos. Koos heeft zelf 80.000 euro gespaard, met de hypotheek erbij heeft hij 280.000 euro.

Door het nieuwe geld dat Koos tot zijn beschikking heeft, is zijn subjectieve waardeoordeel van één monetaire eenheid gekrompen omdat hij nu meer eenheden tot zijn beschikking heeft voor de goederen die hij wenst te kopen (een huis). Sinds hij bereid is meer eenheden te betalen voor een huis drijft hij de prijzen op; inflatie. Immers, hoe meer geld de kopers op de huizenmarkt tot hun beschikking hebben des te hoger de prijzen. Als Koos eenmaal een huis heeft gekocht komt het nieuwe geld bij de verkoper terecht en hier herhaalt het proces zich.

Omdat Koos de prijzen had opgedreven heeft de verkoper hoogst waarschijnlijk winst gemaakt op het huis. Door deze winst krimpt het subjectieve waardeoordeel van één monetaire eenheid van de huizenverkoper en zal hij bereid zijn meer eenheden te betalen voor de goederen die hij wenst te kopen. Met andere woorden, de huizenverkoper heeft nu meer geld voor de goederen waar hij behoefte aan heeft. Wanneer hij meer geld uitgeeft aan deze goederen, stijgt de vraag ernaar en dus diens prijzen. Op deze manier sijpelt het geld door de economie. Iedereen die het nieuwe geld bezit, drijft de prijzen op van de goederen die hij koopt. Maar het nieuwe geld komt niet bij iedereen terecht en ook worden niet alle goederen bereikt.

Voordat Koos een huis had gekocht waren de vastgoed prijzen nog niet opgedreven door het nieuwe geld. Dit was in het voordeel van Koos, hij heeft kunnen kopen op een markt met lage prijzen. Kopers zonder nieuw geld die na Koos een huis aanschaffen hebben hier nadeel van. Zij kopen op een markt waarvan de prijzen zijn opgedreven. In het algemeen kunnen we stellen dat degenen die als eerste met nieuw geld in aanraking komen een voordeel genieten tegenover degenen die als laatste met nieuw geld in aanraking komen en hier dus een nadeel van hebben. Sommige zien hun inkomen harder stijgen dan de prijs van goederen en gaan er op vooruit. Anderen houden een gelijk inkomen dat koopkracht verliest door stijgende prijzen. Dit lijdt tot scheefgroei en daardoor zal inflatie altijd het verschil tussen arm en rijk vergroten. Degenen dicht bij de bron van nieuw geld worden rijker en degenen als laatste bereikt door nieuw geld worden armer.

Koos betaalt natuurlijk wel voor het nieuwe geld in de vorm van rente. Vandaar dat bankiers goed profiteren van geldcreatie. Ze zitten vlak bij de bron (sterker nog, ze zijn de bron) en horen bij de eerste die met nieuw geld in aanraking komen. En dat alles met geld gecreëerd uit het niets.

Aan het einde van de 19de eeuw was het grootste deel van de wereld op de klassieke goudstandaard, een periode van grote economische voorspoed en stabiliteit. Alle valuta werden gedekt door goud en hadden daardoor een vaste wisselkoers ten opzichte van elkaar. De ene munt bevatte 0,6 gram goud en de andere 0,2 gram. De wisselkoers was constant 3. Ieder land had zijn munteenheid aan een zeker gewicht goud gekoppeld.

Niet alleen de interne prijsstabiliteit, maar ook de vaste wisselkoersen deden internationale handel floreren. Landen die veel goederen importeerden kregen te maken met een uitstroom van goud. Als hierdoor de geldhoeveelheid in eigen land afnam trad er deflatie op. Door de deflatie werden de goederen voor buitenlanders goedkoper en kwam de export op gang. Vervolgens kreeg het land te maken met een instroom van goud waardoor de geldhoeveelheid weer toenam. De hierdoor veroorzaakte inflatie deed de export weer afnemen. Een zelf regulerend systeem zonder excessieve handelstekorten of overschotten en maximale prijsstabiliteit.

In 1914 brak de eerste Wereld Oorlog uit en hadden diverse overheden meer geld nodig dan hun goudvoorraden konden voorzien. Vanaf dat moment tot aan 1971 is de klassieke goudstandaard in etappes afgebouwd. Daarna was er enkel fiatgeld. Het geld dat overheden ongelimiteerd kunnen bijdrukken om oorlogen te voeren of andere politieke ambities te verwezenlijken, maar dat historisch gezien altijd uitloopt op een fiasco. De verleiding van geldcreatie is politiek gezien niet te weerstaan. Vele systemen van fiatgeld zijn gekomen en gegaan. Goud heeft altijd zijn koopkracht behouden. Goud is het geld van de markt, fiatgeld is van de politiek.

Geld wordt gestuurd vanuit individuen die goederen op waarde inschatten. Deze subjectieve waardeoordelen zijn de tandwielen van de economie die als enige kunnen bepalen wat de waarde van geld is. Volgens de Oostenrijkse School moet de overheid zich zo min mogelijk met de economie bemoeien omdat het zelfs met de beste intenties de vrije markt ontregeld. Kijk naar de meest extreme vorm van overheidsinterventie, het communisme. Een systeem dat meerdere malen heeft aangetoond sociaal en economisch jammerlijk te falen. Op dit moment is het Westen niet communistisch maar de ontwikkelingen gaan wel die kant op. Overheden groeien en zien geen andere optie dan steeds meer bemoeienis. Denk hierbij aan bailouts, geldpers financiering, meer centralisatie van macht en minder democratie. Alles ten kosten van onze vrijheid.

Deze ontwikkeling is het resultaat wanneer er eenmaal wordt begonnen met interveniëren. De uitkomst van interventies volstaan nooit, mede doordat overheden de subjectieve waardeoordelen van individuen niet bepalen, en wanneer er een correctie volgt begint de vicieuze cirkel. Elke interventie zal zijn naar de smaak van een handjevol politici die onmogelijk kunnen weten wat de waarde van geld is, moet zijn, laat staan het recht hebben dit te veranderen. De vrije markt waar de Oostenrijkse School voor pleit werkt ultiem democratisch. Iedereen die participeert aan de economie, en daarmee zijn invloed uitoefent op de markt, draagt hiermee zijn economische stem uit.

Bovendien onttrekken overheden een enorme productiviteit aan de economie. Ambtenaren zullen nooit zo hard werken als ondernemers, en de belasting die wordt geheven om ambtenaren te betalen, is een demotivatie voor ondernemers om te ondernemen. Ook dit verstoord de vrije markt.  Om te beweren dat een goudstandaard geen nadelen heeft of recessies kent zou hetzelfde zijn te ontkennen dat zomer en winter bestaan. Toch is dit volgens The Austrians een betere optie dan waar we nu op afstevenen.

Jan Nieuwenhuijs

Over de auteur

Biflatie.nl publiceert artikelen over de crisis en de huidige (macro)-economische situatie. Ook nieuws over bitcoin & cryptocurrencies, de huizenmarkt, goud & grondstoffen, de machthebbers en het monetaire systeem. Twitter: @Biflatie