‘ Peak exorbitant privilege ‘ | FOFOA

12

Dit artikel is gebaseerd op FOFOA‘s publicatie ‘Peak exorbitant privilege‘. Met speciale dank aan Nikolaos, voor de vertaling. Bekijk ook eens zijn blog | Als een land meer importeert dan exporteert, dan betekent dat veel lege containers in de havens. Het Amerikaanse handelstekort met de rest van de wereld is visueel goed te zien als je langs de havens van New York en New Jersey rijdt. In totaal komen er veel meer volle containers binnen dan er weer vertrekken. Omdat Amerika veel meer importeert dan exporteert, betekent dit dat een groot deel van de containers weer leeg de havens verlaat:

De weinig bekende Franse econoom Jacques Rueff was de eerste die waarschuwde voor deze situatie. De term piek buitensporig privilege werd 30 jaar later pas gebruikt, maar zoals we zullen zien is dit scenario een uitvloeisel van de ontwikkeling van ons huidige geldsysteem, van de goudstandaard naar Bretton Woods en tenslotte de dollarstandaard, ons huidige systeem.

Als we naar de tijdlijn gaan kijken van de evolutie van ons geldsysteem, dan wordt duidelijk dat er drie waarschuwingen waren op een punt dat het systeem dreigde om te vallen. De eerste van die waarschuwingen werd door Rueff geuit, al in 1931. De tweede waarschuwing kwam van de Belgische econoom Robert Triffin in 1960, die we eerder op deze blog tegen kwamen (zie: Triffin’s dilemma). De derde waarschuwing komen we verderop in dit artikel tegen. Dit is de tijdlijn waarover we spreken:

fofoa chart

Amerika heeft een handelstekort met de rest van de wereld sinds 1975. Wat je ook moet weten, is dat het Amerikaanse overheidstekort vanaf 1971 tot 2012 is opgelopen van $ 400 miljard tot ruim $ 1.600 miljard en dat het feit dat buitenlandse centrale banken deze enorme toevoer aan dollars hebben opgekocht, de meest belangrijke reden is voor het voortdurende Amerikaanse handelstekort en de relatief stabiele waarde van de dollar. De situatie dat Amerika ongestraft enorme hoeveelheden dollars kan printen om daarmee wereldwijd goederen aan te schaffen, zonder deze terug te betalen door het equivalent aan goederen naar de rest van de wereld te exporteren, noemen we het buitensporig privilege.

De eerste waarschuwing

In 1972 schrijft Jacques Rueff (zie: boek Rueff) het volgende: ‘Er is één innovatie die duidelijk heeft bijgedragen aan de problemen in de wereld ten tijde van de Grote Depressie. En dat is de introductie door meerdere Europese staten van de goud-wissel standaard. Onder dit systeem mochten centrale banken behalve goud en eigen valuta ook buitenlandse valuta aanhouden als reserves. Deze buitenlandse reserves, hoewel ze als asset op de balans staan bij de centrale bank, blijven echter ook op rekeningen staan in het land van herkomst.

Dit mechanimse heeft een duidelijk nadeel. Als er bijvoorbeeld geld uit de Verenigde Staten vloeit naar een ander land dat de goud-wissel standaard gebruikt, dan wordt de geldhoeveelheid in dat andere land vergroot, zonder dat de geldhoeveelheid in Amerika met hetzelfde bedrag verkleint. De buitenlandse centrale bank zet de dollars als reserve op de balans, maar diezelfde dollars staan ook op rekeningen in New York.

Hierdoor is er in het verleden een grote onbalans ontstaan in de wereldwijde monetaire situatie. En het is vermoedelijk mede de oorzaak geweest van de enorme kredietexpansie die in de Verenigde Staten plaatsvond tot aan 1929, voorafgaand aan de Grote Depressie.

Later voegde Rueff daar aan toe:

‘De goud-wissel standaard was een formidabele inflatie-factor. Geld dat naar Europa ging, bleef ook beschikbaar in de Verenigde Staten. De geldhoeveelheid was door deze standaard gewoon dubbel beschikbaar. Hierdoor kon de Amerikaanse markt in Europa goederen kopen, zonder dat dat ten koste ging van de mogelijkheid om dezelfde fondsen aan te wenden in Amerika zelf.’

Begin je de consequenties van deze dubbele geldhoeveelheid in te zien? Het echte probleem is, dat een land een enorm privilege verkrijgt doordat de rest van de wereld haar munt als reserves gebruikt, een munt die door de geldpers naar believen kan worden bijgedrukt. Rueff omschreef het als volgt:

‘Na de eerste wereldoorlog kon Groot-Brittannië geld blijven lenen aan centraal Europa, geld dat onherroepelijk terugvloeide naar Londen; op het moment dat de ponden de economie van het lenende land instroomden (in de vorm van eigen valuta), werden ze weer teruggestort in Groot-Brittannië. Zo kon dit spel keer op keer worden herhaald.’ 

En, schreef Rueff:

‘Dit is een ongelofelijke collectieve blunder, die, als de mensen er van doordrongen zijn, als een groot schandaal de wereldgeschiedenis in zal gaan.’

Laten we deze situatie projecteren naar 2012. In een vereenvoudigd model ziet dit er als volgt uit: per seconde koopt Amerika voor $ 100.000 aan goederen in het buitenland. Tegelijk verkoopt Amerika goederen aan het buitenland ter waarde van $ 79.000. Het verschil van $ 21.000 wordt geabsorbeerd door de buitenlandse centrale banken en vloeien weer terug naar de V.S. omdat de buitenlandse centrale banken er Amerikaanse staatsobligaties voor kopen. Daarmee komen die $ 21.000 weer vrij voor aankopen van goederen in het buitenland. Elke seconde leent de V.S. dus $ 21.000, die haar handelspartners 1 seconde geleden ontvingen, geeft die $ 21.000 weer uit in het buitenland, om ze een seconde later weer te lenen. En dat keer op keer weer.

Dus: dezelfde dollars circuleren oneindig lang heen en weer, zonder dat er inflatie ontstaat!, waarbij de goederen zich opstapelen in de V.S. en de Amerikaanse staatsobligaties zich opstapelen bij de buitenlandse centrale banken. Voila, dat is ‘buitensporig privilege’

En het absurde van de situatie is, dat de rest van de wereld deze situatie nog steeds ondersteunt. Zoals in Triffin’s dilemma uitgelegd, heeft de rest van de wereld dit Amerikaanse tekort nodig, omdat anders de reserves van de rest van de wereld krimpen en economische contractie het gevolg is.

De tweede waarschuwing

In 1960 stond de Belgische econoom Robert Triffin voor het Amerikaanse Congres. Wikipedia schrijft over zijn getuigenverklaring:

‘Triffin waarschuwde voor een enorme weeffout in het Bretton Woods systeem (de opvolger van de goud-wissel standaard, Nikolaos). Zijn theorie was gebaseerd op de enorme overvloed aan dollars, ofwel de accumulatie van dollars in het buitenland. In het Bretton Woods systeem had de V.S. ingestemd met de inwisselbaarheid van de dollar tegen goud. In 1960 waren er echter veel meer dollars in het buitenland beschikbaar dan er goud was in de kluizen in de V.S. De V.S. moest een tekort aanhouden op de lopende rekening, zodat ze de rest van de wereld van dollars kon blijven voorzien. Op de lange termijn zou dat echter tot een lager vertrouwen in de dollar leiden. Triffin voorspelde dat het systeem niet tegelijkertijd kon voorzien in liquiditeit en het handhaven van vertrouwen, een uitspraak die later bekend werd als het Triffin dilemma. Zijn waarschuwing werd niet serieus genomen, tot 1971. Toen werd Triffin’s uitspraak realiteit, omdat de rest van de wereld dollars aan het omruilen was tegen goud, hetgeen president Nixon aanzette tot het beëindigen van deze inwisselbaarheid. Daarmee stortte het Bretton Woods systeem in elkaar.’

Triffin gaf ook een mogelijke oplossing aan, namelijk de creatie van een nieuwe wereld reservemunt. Deze munt zou dan in de liquiditeit van de rest van de wereld kunnen voorzien, terwijl Amerika tegelijkertijd zijn tekort kon reduceren, zonder dat daarmee de economische expansie in de rest van de wereld ten einde zou komen.

De derde waarschuwing

Na de ondergang van Bretton Woods waren er drie gebeurtenissen die plaatsvonden:

1. Amerika begon een enorm handelstekort met de rest van de wereld aan te houden, een tekort dat steeds verder expandeerde.

2. Het fenomeen ‘vertrouwensinflatie’ hielp om het huidige tekort van de V.S. op te blazen, zowel nominaal als reëel. Voor inflatie gecorrigeerd, is de handel van de V.S. met de rest van de wereld vanaf 1971 met een factor 8 toegenomen.

3. De Amerikaanse overheid begon enorm uit de dijen, door het schuldenplafond steeds verder te verhogen en door de verkoop van steeds grotere hoeveelheden staatsobligaties. Een grafische weergave van deze gebeurtenis:

fofoa grafiek

Om het Amerikaanse buitensporige privilege in de juiste context te zien, kijken we naar het percentage van de import van goederen dat betaald wordt met de export van goederen. Hoe lager dit percentage, hoe hoger het privilege en hoe meer de geldpers gebruikt wordt om het verschil tussen import en export te financieren. Het plaatje ziet er als volgt uit:

Duidelijk is, dat de piek werd bereikt in 2005: in dat jaar werd 35,5% van de import ‘betaald’ met de geldpers en niet met export van goederen. Een ongelofelijke hoeveelheid gratis goederen! Maar deze situatie gaat veranderen. Waarom? Het tijdschrift Barron’s schreef het volgende:

‘Amerika leent $ 1.100 miljard per jaar, terwijl het buitenland slechts $ 286 miljard aan Amerikaanse staatsobligaties heeft gekocht. Dat betekent dat er een slordige $ 800 miljard moet worden opgekocht door de Federal Reserve. Er is dus geen land en geen commerciële organisatie die geïnteresseerd is om Amerikaanse staatsobligaties tegen ultra lage rentes te kopen. Waarom, o waarom spreekt NIEMAND hierover???’.

Uiteraard kijkt Barron’s alleen maar naar de monetaire wereld, een wereld die de Federal Reserve met gemak kan bedienen met een ongelimiteerde vraag naar Amerikaanse staatsobligaties. De echte dreiging voor de dollar ligt echter in de fysieke wereld: de prijs van al die containers die hun lading in Amerika lossen en dan leeg terugkeren naar het land van herkomst.

De Amerikaanse overheid is verslaafd geraakt aan haar buitensporige privilege. Het privilege dat tot 2005 werd gesteund door buitenlandse centrale banken, maar hetgeen sinds 2005 in een neerwaartse beweging is geraakt. De Federal Reserve doet dus niets anders dan de export van lege containers verdedigen met de geldpers, voor een bedrag van $ 800 miljard per jaar.

Laat je gedachten eens gaan over de volgende drie punten:

1. Amerika’s buitensporige privilege kende zijn hoogtepunt in 2005 en is sindsdien aan het dalen, met andere woorden: het privilige wordt minder en minder gesteund door buitenlandse centrale banken.

2. De Amerikaanse overheid zit nu in het defensief en verdedigt haar gratis goederen met behulp van de geldpers van de Federal Reserve.

3. Het Amerikaanse overheidstekort is tweemaal groter dan het handelstekort.

Wat kan er mis gaan?

De recessie vanaf 2008 heeft de Amerikaanse economie al doen krimpen, behalve dat gedeelte van de economie dat in Washington bivakkeert! En om deze status quo te handhaven, moet de Amerikaanse overheid enorme bedragen printen om lege containers te kunnen exporteren. Dus wat gebeurt er als prijzen omhoog gaan? Dan gaat ook de prijs van containers met inhoud omhoog.  Degenen die aan deflatie denken om de huidige status quo te handhaven moeten hier eens heel goed over nadenken.

De derde waarschuwing is, dat we afstevenen op een super hyperinflatie van de dollar, die de hyperinflaties van Zimbabwe en Weimar doen verbleken. Hyperinflatie ontstaat als de overheid zijn eigen behoeften verdedigt met het printen van vers basisgeld, precies datgene wat nu gebeurt. Op het moment dat de prijzen beginnen te stijgen, is er niet genoeg geld voor ons mensen, om de steeds verder escalerende prijzen te kunnen betalen.

Zodra de hyperinflatie fysiek wordt, kan het snel gaan. Degenen die een vorm van electronische valuta hyperinflatie verwachten: vergeet-t-maar. Als je denkt dat onze westerse wereld veel geavanceerder is dan Zimbabwe of Weimar, dan begrijp je niet wat er gebeurt tijdens een hyperinflatie. Het kan zich niet electronisch voordoen, omdat als de prijzen snel stijgen, fysiek cash de voorkeur (en een premie) krijgt boven electronisch geld.

Bron: FOFOA & Nikolaos

Over de auteur

Biflatie.nl publiceert artikelen over de crisis en de huidige (macro)-economische situatie. Ook nieuws over bitcoin & cryptocurrencies, de huizenmarkt, goud & grondstoffen, de machthebbers en het monetaire systeem. Twitter: @Biflatie