Bank of America waarschuwt voor Weimar 2.0

De laatste tijd worden we om de oren geslagen met waarschuwingen die ons proberen te overtuigen dat een bijzonder ernstige vorm van inflatie op komst is. Niemand minder dan de Chief Investment Officer van Bank of America Michael Hartnett heeft gewaarschuwd dat 2021 – het jaar van het vaccin – er eentje zal worden dat de ‘echte’ inflatie (in tegenstelling tot de ‘financiële’, in de vorm van zeepbellen op de beurs en bij andere activa) vroeg of laat op hol slaat. Ook Michael Burry waarschuwt dat een variant van de Weimar hyperinflatie er aan komt.

 

In zijn laatste Flow Show herhaalt Hartnett zijn twee belangrijkste stellingen voor 2021: dit jaar zal gekenmerkt worden doordat de snelheid van mensen in omloop zal stijgen en dat de snelheid van het geld in omloop ook zal stijgen. In het eerste geval wordt uiteraard bedoeld dat de opheffing van de beperkende maatregelen ertoe zal leiden dat de mensen weer meer zullen reizen, zodat inderdaad bij wijze van spreken de snelheid van mensen in omloop zal stijgen. Dat zou ertoe bijdragen dat ook de snelheid van het geld in omloop zal stijgen. En dan komt inderdaad het inflatiegevaar om de hoek loeren.

 

Volgens Hartnett zijn de kerntrends voor 2021 inderdaad de komst van het vaccin voor de bestrijding van het virus en de heropening van de economie na de lockdown. Dit betekent concreet dat de menselijke mobiliteit zal toenemen en de macro-economische indicatoren gegevens zullen verbeteren, met name in het tweede kwartaal, wanneer het Amerikaanse BBP sneller dan verwacht zou kunnen stijgen, met als mogelijk gevolg dat de economie oververhit zou raken. Dit kan gebeuren in combinatie met seculiere trends van meer overheidsingrijpen, economisch protectionisme, fiscale overschotten, dollarontwaarding enzovoort, waardoor prijsinflatie inderdaad een wezenlijk gevaar kan vormen.

 

Tekorten en massale kapitaalinjecties

 

BofA schrijft in verband met het monetair beleid dat de VS in de afgelopen 12 maanden een begrotingstekort van $ 3,5 triljoen (17% van het BBP) heeft laten optekenen, gekoppeld aan de injectie van $ 13,3 triljoen door de wereldwijde centrale banken in de vorm van liquiditeiten (15% van het wereldwijde BBP). Hartnett wijst erop dat in de afgelopen 12 jaar de beleidsstimulansen rechtstreeks naar Wall Street en niet naar Main Street zijn gestroomd, waardoor de historisch bestaande ongelijke verdeling van de rijkdom nog werd versterkt door zeepbellen in bepaalde activa. Maar de verwachte toename van de snelheid van mensen in omloop zal in 2021 leiden tot een stijging van de snelheid van geld in omloop, waarbij de inflatie muteert van Wall Street naar Main Street. Wat zal eindigen in een uiteenspatten van de bubbels op de financiële markten.

 

Het team van BofA blikte in dat verband terug op het naoorlogse Duitsland, meer bepaald naar het einde van de Eerste Wereldoorlog nadat de wapenstilstand in november 1918 werd afgesloten. Deze periode staat bekend als de meest extreme periode van stijgende snelheid van het geld in omloop en vervolgens van inflatie, de periode situeert zich na het einde van de ‘Grote Oorlog’. Factoren mee verantwoordelijk voor deze situatie waren de opgekropte besparingen, het verloren vertrouwen in valuta en autoriteiten en in het bijzonder het monetariseren van schulden door de Reichsbank. Waardoor zich meteen de vergelijking opdringt met wat er nu gaande is.

 

Weimar Duitsland

 

Er is natuurlijk een naam voor die periode: Weimar Duitsland. Het kan misschien geen kwaad om nog eens aan deze periode te herinneren. Tussen 1921 en 1923 heerste er hyperinflatie in de Weimarrepubliek. De Duitse papiermark kelderde in waarde en leidde tot armoede onder de bevolking, interne politieke instabiliteit en de bezetting van het Ruhrgebied door Frankrijk en België. Wat is er voorafgegaan aan de Weimer republiek? Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog schortte Duitsland de gouden standaard op. De Duitse keizer Wilhelm II en het parlement namen unaniem het besluit om de oorlog te financieren door geld te lenen. De Duitse regering verwachtte de oorlog te winnen en dan konden de schulden worden terugbetaald door de annexatie van buitenlandse bezittingen en herstelbetalingen.

 

Maar Duitsland verloor de oorlog en de nieuwe Weimarrepubliek werd verantwoordelijk voor de rentebetalingen en aflossingen van de oorlogsschulden. Dit probleem werd verergerd door het Verdrag van Versailles. Hierin was vastgelegd dat Duitsland herstelbetalingen moest doen aan de Entente. De hoogte van de schadeloosstelling was nog niet bepaald en ook niet de termijn waarbinnen Duitsland deze moest betalen. Duitsland had nog het voordeel dat de meeste strijd was geleverd op het grondgebied van België, Frankrijk en Rusland. Het had zelf weinig directe oorlogsschade en de industriële infrastructuur was redelijk intact. Maar na het sluiten van de wapenstilstand begonnen de problemen pas.

 

De prijzen vervijfvoudigden

 

En daar was de inflatie! Na het tekenen van het verdrag nam de inflatie sterk toe. Vanaf juli 1919 tot februari 1920 vervijfvoudigden de prijzen en in deze korte periode waren de Duitse spaartegoeden al met meer dan 90% in waarde gedaald. De regering kwam in actie om de inflatie in te dammen. In maart 1920 kwam de minister van Financiën Erzberger met een plan om de staatsinkomsten te vergroten door de belastingen te verhogen en kreeg het land ook meer mogelijkheden invoerrechten te heffen. Door de onderdrukking van de Kapp-putsch werd een bedreiging van de politieke stabiliteit weggenomen. Het was een geloofwaardig en effectief programma om het begrotingstekort weg te werken. De inflatie daalde scherp, er volgde zelfs een korte periode van deflatie in het 2e kwartaal van 1920 waarna de prijzen zich stabiliseerden voor een jaar. Maar dat zou niet lang duren. Erzberger had zich met zijn belastingverhoging niet populair gemaakt en hij kwam om bij een aanslag op zijn leven in augustus 1920.

 

Duitsland werd gedwongen om vreemde valuta te kopen

 

In april 1921 werden de herstelbetaling bepaald op 132 miljard goudmarken, dit is ongeveer gelijk aan 47.000 ton goud. Jaarlijks moest het land twee miljard goudmarken plus 26% van de waarde van haar export voldoen in goud of vreemde valuta, een groot bedrag want in 1910-1913 lagen de overheidsuitgaven rond de vijf miljard goudmarken op jaarbasis. Duitse protesten werden genegeerd en in juni 1921 werd de eerste termijn betaald. Omdat de eigen papiermarken niet werden geaccepteerd als herstelbetaling was het land gedwongen vreemde valuta op de markt te kopen. Door marken bij te drukken werd dit probleem enigszins verzacht, maar dit leidde tot een forse daling van de wisselkoers van de mark. Medio 1921 was de wisselkoers gedaald naar 330 mark voor een Amerikaanse dollar.

De problemen voor Duitsland werden enigszins onderkend en er volgden internationale conferenties om deze te bespreken, maar dit leidde tot niets. De Duitse inflatie begon sterk toe te nemen en de prijsindex steeg van 41 in juni 1922 naar 685 in december 1922. De wisselkoers kelderde verder naar 7400 mark per dollar in december 1922. Daarmee was het lot van het land bezegeld. De Duitse aanpak leidde tot hyperinflatie, het hek was van de dam. Het beleid om geld te drukken om zo vreemde valuta te kopen kon niet langer doorgaan en in het najaar van 1922 staakte Duitsland de herstelbetalingen. In een reactie bezetten Franse en Belgische troepen in januari 1923 het Ruhrgebied, de belangrijkste industriële regio van het land. Met de bezetting wilden de Belgen en Fransen de herstelbetalingen afdwingen in goederen, waaronder steenkool dat in ruime mate voorhanden was.

 

Biljetten van 1 miljard en 500 miljard Reichsmark

 

Op de Ruhrbezetting reageerde de Duitse regering van rijkskanselier Wilhelm Cuno met passief verzet (Passiver Widerstand). De arbeiders in de regio werden opgeroepen niets te doen om de Fransen en Belgen te helpen. Het kwam in de praktijk neer op een algemene staking. De stakende arbeiders kregen financiële steun van de regering die nog meer bankbiljetten liet drukken wat de hyperinflatie verergerde. De devaluatie ten opzichte van de Amerikaanse dollar versnelde en in november 1923 was de wisselkoers voor een dollar zo’n 4,2 biljoen mark. De hyperinflatie veroorzaakte enorme problemen voor de Duitse economie en het bankwezen. De werkloosheid steeg en de reële lonen kelderden. Begin 1923 werden nieuwe bankbiljetten van 1000 en 5000 mark niet uitgegeven, zij vertegenwoordigden nauwelijks enige waarde. Tegen het einde van het jaar kwamen ze toch in omloop met opdrukken van 1 miljard en 500 miljard. De Kommunistische Partei Deutschlands (KPD) kreeg steeds meer aanhang en vormde een bedreiging voor de regering. In augustus 1923 werd Gustav Stresemann kanselier en hij brak op 26 september de Ruhrstrijd af. De angst voor een politieke omwenteling was een belangrijke reden. De bewering van voormalig bondskanselier Cuno dat het land geen herstelbetalingen meer kon betalen, werd stilzwijgend aanvaard.

 

Het einde van de hyperinflatie

 

De Weimarrepubliek werd van een enorme financiële last verlost en kon nu werken aan een stabilisering van de valuta. Dit was ook een voorwaarde van de Entente voor nieuwe onderhandelingen over de herstelbetalingen die tot het Dawesplan hebben geleid. In de loop van 1924 verbeterden de economische omstandigheden en zo ook de politieke verhoudingen. Stilaan kwam zo een einde van de periode van hyperinflatie en aan de Weimarrepubliek. Halverwege februari waarschuwde Bank of America voor het ondenkbare: de tsunami van monetaire en fiscale stimuleringsmaatregelen, in combinatie met de aanstaande stijging van de monetaire omloopsnelheid naarmate de wereldeconomie uit de blokkades komt, zou leiden tot een ongekende economische oververhitting.

 

“Dying of Money: Lessons of the Great German and American Inflations”

 

Maar Bank of America is geen alleenstaand geval. In 1974 schreef Jens Parsson een fascinerende, diepgaande historische analyse van de hyperinflatoire ineenstorting van Weimar Duitsland onder de titel “Dying of Money: Lessons of the Great German and American Inflations” en naar dat boek verwijst niemand minder dan de Big Short Michael Burry. Deze pikte het thema van Weimar op en verwijst naar Duitsland en zijn hyperinflatie, als de blauwdruk voor wat er komen gaat. Met expliciete verwijzingen naar het baanbrekende werk van Parsson. Burry werd beroemd nadat zijn weddenschap van een miljard dollar tegen de Amerikaanse huizenbubbel werd vereeuwigd in het boek en de film “The Big Short”. Hij maakte ook de weg vrij voor de GameStop-short squeeze in januari toen hij in 2019 een belang in de videogamewinkel kocht en verschillende brieven aan het bestuur schreef.

 

Burry slaat alarm over de inflatie

 

Burry heeft nu dus alarm geslagen over inflatie. Hij waarschuwde de belegger onlangs om zich voor te bereiden op inflatie nu de Amerikaanse economie heropent en een nieuwe stimuleringsronde krijgt. Hij vergeleek ook het huidige traject van Amerika met het pad van Duitsland naar hyperinflatie in de jaren twintig. Burry bestudeerde Buffett aan het begin van zijn carrière, maar besloot zichzelf niet te modelleren naar de Berkshire-baas.

 

Burry realiseerde zich dat Buffett’s eigenaardigheden en onderscheidende investeringsstijl de sleutel waren tot zijn buitensporige succes, en hij erkende ook dat hij te sociaal onhandig was om ooit zo populair te zijn als het orakel van Omaha. Maar de huidige thesis van Burry is duidelijk: hij kwam tot de conclusie dat onze huidige wereld vergelijkbaar is met de situatie in de jaren net voordat Weimar Duitsland de meest explosieve hyperinflatie in de geschiedenis zag. De Amerikaanse regering roept op tot meer inflatie met haar Moderne Monetaire Theorie getinte beleid.

 

Enkele van zijn opmerkelijke uitspraken:

“De inflatie in haar beginfase was een paradox die zijn eigen onmiskenbare kenmerken had. Een daarvan was de grote rijkdom voor sommigen, althans voor diegenen die profiteerden van de hausse op de beurs. Er werden van de ene op de andere dag fortuinen gemaakt ”

“De prijzen in Duitsland waren aanvankelijk stabiel en zowel het bedrijfsleven als de aandelenmarkt waren booming. De wisselkoers van de mark ten opzichte van de dollar en andere valuta’s steeg zelfs een tijdje. De mark was tijdelijk zelfs de sterkste valuta ter wereld aan de vooravond van de periode van hyperinflatie.”

“Bijna elk soort bedrijf kon geld verdienen. Er waren maar weinig faillissementen en mislukkingen. De hausse op de beurs had de normale processen van natuurlijke selectie in de bedrijfswereld opgeschort, waardoor niet-essentiële en ineffectieve bedrijven bleven bestaan.”

“Speculatie werd, terwijl het niets toevoegde aan de rijkdom van Duitsland, werd één van de belangrijkste activiteiten. De koorts om mee te doen aan het beursspel was torenhoog, iedereen, van liftjongens en schoenenpoetsers kochten aandelen. Hetzelfde scenario zien we nu.”

“De omzetvolumes in effecten op de Berlijnse Beurs werden zo hoog dat de financiële sector het papierwerk niet kon bijhouden en de beurs moest enkele dagen per week sluiten om de achterstand weg te werken. Zie het Robinhood verhaal.”

Kort samengevat: zowel BoA als Michael Burry zien het onheil naderen. Er trekken zich volgens hen hyperinflatoire donderwolken samen boven de horizon en alles wijst erop dat het slechts een kwestie van tijd zal worden alvorens we een herhaling krijgen van het Weimarscenario.

 

Harm van Wijk

www.beleggen.com

 

 

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.